maandag, mei 28, 2007

Finaly the computers arrived on our campus in Port Alfred, South Africa




It took a couple of months, but at last they made it . . . . . . . . . .

zondag, mei 27, 2007

Just to remind you . . . . . .


CHN has campusus in The Netherlands (Leeuwarden, Groningen and Emmen), China (Chengdu), Qatar (Doha), South Africa (Port Alfred) and Thailand (Bangkok)

Accepted

Zo kun je ook een nieuwe Universiteit beginnen Martin! (http://www.acceptedmovie.com/game/)

Apple Cursus.



Ons ICT-team volgt een Apple-scholing. Alle teamleden hebben daardoor binnenkort hetzelfde basisniveau. Vanaf 1 juni 2007 zal onze ICT-afdeling Apple officeel ondersteunen. In eerste instantie is dat nog op desktop-niveau. Een uitbreiding van de ondersteuning naar het netwerk en andere facilities zal ongetwijfeld over enige tijd volgen.
Apple neemt in het onderwijs een steeds dominantere positie in. Inmiddels heeft de CHN een professionele podcast omgeving en wordt de vraag naar Apple laptops en desktops steeds groter.

Binnenkort de CHN/Apple University Edgar?

zaterdag, mei 26, 2007

CHN Sife team voor de derde keer Nederlands kampioen


The CHN SIfe team (#1) with the Drenthe University team (#2)


The CHN delegation


And the winner is . . . . .


Heineken Experience host of the dutch championship 2007


New York here we come!



Persbericht - Leeuwarden, 25 mei 2007.

Studenten CHN voor derde keer beste in ondernemerschap

Studenten van de Christelijke Hogeschool Nederland (CHN) in Leeuwarden hebben vandaag tijdens de landelijke finale van de SIFE-competitie in Amsterdam opnieuw de hoofdprijs gewonnen. De studenten uit Friesland mogen nu met hun projecten die het ondernemerschap stimuleren Nederland vertegenwoordigen tijdens de mondiale finale in New York op 11 en 12 oktober. Het is voor de derde keer op rij dat de CHN met grote overmacht de nationale titel wint.

De jury bestaande uit topmanagers van Heineken, Rabobank, KPMG en enkele andere multinationals constateerden dat de projecten die de 34 studenten van vijf CHN-opleidingen dit jaar hadden uitgevoerd, het best aan de criteria van SIFE voldoen. SIFE is een internationale organisatie die ten doel heeft de principes van het vrije ondernemerschap te verspreiden door middel van projecten van studenten in het hoger onderwijs. De levensvatbaarheid van de projecten, het financieel inzicht en het ethisch ondernemerschap zijn belangrijke eisen waaraan de presentaties worden getoetst. Dit jaar deden er elf teams mee aan de finale onder andere van de Rijksuniversiteit Groningen, In Holland en de Erasmus Universiteit uit Rotterdam. De gedrevenheid, deskundigheid en de olievlekwerking van de projecten van de Leeuwarder studenten maakten grote indruk op de jury.

De studenten ondersteunen al drie jaar zwarte beginnende ondernemers in de township Nemato, een krottenwijk bij de vestiging van de CHN in Port Alfred. Hun methode om de startende kleine bedrijfjes op weg te helpen, blijkt succesvol. Inmiddels is er een SIFE-team op de campus in Port Alfred gevormd met acht Nederlandse en twaalf Zuid-Afrikaanse studenten die de projecten van het SIFE-team uit Leeuwarden overnemen. Zo is de continuïteit gewaarborgd, aldus manager Adrie Oosterhof van de CHN. In Nederland hebben buitenlandse studenten onderricht gekregen in communicatievaardigheden volgens het model van de 'kennispiramide'. De deelnemers aan de cursus verplichten zich zelf ook weer bij terugkeer in hun land van herkomst een soortgelijke training aan studenten te verzorgen. Het project TEACH (training ethical awareness and cultural heritage) toont leerlingen van middelbare scholen het belang van Fair Trade en de noodzaak van een keurmerk voor producten die afkomstig zijn uit eerlijke handel. De studenten verzorgden zeventien workshops en stelden vijf presentaties in bibliotheken samen. Dit jaar heeft het SIFE-team ook een stad in Kameroen geholpen aan vijftig computers. Jongeren kunnen daardoor nu les krijgen in computergebruik. De studenten helpen de bewoners van een krottenwijk in Rio de Janeiro met de verkoop van de door hen vervaardigde zwembroeken in Nederland. Zo krijgen ze toegang tot een volledig nieuwe markt. Het project is een samenwerking tussen het Braziliaanse- en Nederlandse SIFE-team. Oosterhof: 'We hebben duurzaamheid hoog in het vaandel.'

Volgens Oosterhof is de hegemonie van de CHN in de nationale competitie mede te danken aan de inbedding van SIFE in het onderwijsprogramma van de hogeschool. 'De studenten kunnen gebruik maken van alle faciliteiten en daarnaast biedt het ook een voordeel dat wij wereldwijd vestigingen hebben. Dat leidt tot prachtige, maar vooral ook buitengewoon nuttige projecten. Gemeenschappen worden er echt mee geholpen. De meeste projecten zijn levensvatbaar.' De voorzitter van het College van Bestuur, Robert Veenstra, toonde zich buitengewoon ingenomen met de winst. 'De SIFE-competitie is volgens mij de ultieme uiting van de strategie die de CHN voorstaat. We streven naar duurzaamheid, naar ondernemerschap en goed doen in de wereld. SIFE laat dat zien. De mooiste beloning voor de studenten is dat ze dit vanaf vandaag op hun cv kunnen zetten.'

Aan de presentatie voor de nationale competitie van SIFE deden studenten van de CHN mee afkomstig van de opleidingen International Business Management Studies (IBMS), de Hoge Hotelschool, Office Management, de Retail Business School (RBS) en Media en Entertainment Management (MEM).

Adrie Oosterhof van de CHN wint de Sife Faculty Advisor Award



Van harte Adrie. Volkomen terecht dat jij nu ook in het zonnetje wordt gezet. Bedankt voor je enorme inzet!

Cohen: bekijk financiering onderwijs opnieuw

De Stern.nl

Minister van Onderwijs Ronald Plasterk (PvdA) moet nog eens goed naar de financiering van het onderwijs kijken. Dat zei de Amsterdamse burgemeester Job Cohen (PvdA) dinsdag tijdens een lezing op de Universiteit van Amsterdam. Hij wees erop dat scholen worden afgerekend op het aantal studenten. "Maar er zijn geen scherpe kwaliteitseisen voor docenten als het gaat om het onderwijs, terwijl die eisen er wel zijn als het gaat om onderzoek."

Ook moeten scholen zelf kunnen bepalen hoeveel collegegeld ze vragen, stelt Cohen. "We moeten accepteren dat er verschillen bestaan in niveau en motivatie van studenten. Op deze manier kun je die verschillen de ruimte bieden."

Verder ziet Cohen wel wat in de manier waarop in Australie en Schotland de studiefinanciering is geregeld. Studenten krijgen daar volgens Cohen een relatief ruime beurs. Als ze na hun studie aan het werk gaan en hun inkomen boven een bepaald niveau uitkomt, krijgen ze een extra belastingaanslag. Zo zouden veelverdieners de investering terugbetalen die de overheid in hun studie heeft gestopt.

Het is volgens de burgemeester verder de vraag of gelijke kansen als uitgangspunt in het onderwijs niet tot verkeerde effecten hebben geleid. "Natuurlijk was het de bedoeling om juist die kinderen die van huis uit minder meekrijgen, op school extra kansen te bieden. Moet onderwijs in zulke gevallen niet juist ongelijk handelen?"

Tot nu toe is de opvoedingsondersteuning aan ouders van baby's en peuters volgens de eerste burger van Amsterdam vooral gericht geweest op het inlopen van taalachterstanden bij allochtone leerlingen. Ook gaat veel aandacht uit naar het vergroten van de kans op een baan voor de moeder. Cohen vindt dat hier nog meer te halen is. Zo zou uit ervaringen in Scandinavie blijken dat meer begeleiding in de opvoeding van kinderen voor betere leerprestaties zorgt. "Dat kost geld, maar de huidige regering lijkt zich dat te realiseren met de beoogde forse impuls in deze kabinetsperiode."

Ook op andere gebieden in het onderwijs is er werk aan de winkel, stelt Cohen. "Te veel leerlingen, vooral allochtonen, hebben grote leerachterstanden en eindigen te vaak zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt." Een startkwalificatie is een diploma op minimaal mbo 2 niveau. Volgens het ministerie van Onderwijs hebben jongeren zonder deze kwalificatie drie keer meer kans om werkloos te raken dan jongeren met een diploma.

Cohen wees er op dat driekwart van de jongeren zonder startkwalificatie toch een baan heeft, 'maar het zijn wel de banen die het snelst verdwijnen'. Een serieus offensief is volgens Cohen daarom nodig.
De Leeuwarder studentenvereniging Io Vivat Nostrorum Sanitas heeft op 24 mei de persprijs 'Per Millimeter Rijker' in ontvangst genomen.

De persberichten over de activiteiten van Io Vivat, studentenvereniging van Hotel Management School van de CHN, hadden de hoogste publicitaire waarde en brachten Leeuwarden en de vereniging positief in het nieuws. De verenigingen Wolweze en Sempiternus Vitae Modus Noster werden respectievelijk tweede en derde.

Naast de eerste prijs ontving Io Vivat een geldbedrag van Euro 500,-. De organisatie van de jaarlijks terugkerende persprijs ligt in handen van Leeuwarden Studiestad.

donderdag, mei 24, 2007

Chinese partner vandaag op bezoek in Leeuwarden



Our Chinese partners, mr. Yan Yu Dae (owner of Sichuan Derui Education Corporation) and mr. Claude Kok (owner of Royalton Investments) visited the CHN at Leeuwarden.

Mr. Yan, being ›on board‹ as a new partner in our project, visited CHN for his first time and showed his enthousiasm on CHN’s teaching facilities and Problem Based Learning education concept.


Next to a meeting with CHN’s board, a tour along the facilities and Hotel Wyswert, our guests were introduced to CHN’s deans, the director of the oncoming University Friesland and the supporting staff members.

Hoogberaad


Ons secretariaat van het CvB heeft samen met onze CvB-secretaris en het het hoofd Personeelszaken een goed overleg gehad. En na het vergaderen is de goede stemming met het mooie weer in een terrasbezoek omgezet.

Studenten bijna gratis is luxe-appartementen

In totaal 45 appartementen worden de komende drie jaar beschikbaar gesteld aan pas afgestudeerde topstudenten. Het gaat om woningen in dure wooncomplexen als Montevideo en de Compagnie op de Kop van Zuid en de Witte Keizer en de Coopvaert in het centrum. De normale huur van 1.200 euro, wordt voor de topstudenten tijdelijk met tweederde teruggebracht. Een investering van bijna 30.000 euro die wordt opgebracht door de gemeente, verhuurders en projectontwikkelaars. Wethouder Hamit Karakus (wonen) heeft hen ervan overtuigd dat wie profijt heeft van Rotterdam, ook wat voor de stad moet terugdoen. Studenten van de Erasmus Universiteit, Hogeschool Rotterdam, Codarts en Hogeschool InHolland die dit jaar afstuderen maken kans op een van de appartementen. Elke onderwijsinstelling beoordeelt zelf welke studenten in aanmerking komen voor de huurkorting. Doel van de actie is om studenten aan Rotterdam te binden na hun studie. (Bron: AD)

Final trial presentation CHN Sife team



Our CHN Sife team did a final trial presentation for the Dutch final on Friday in Amsterdam. It was very promising. New York, here we come!

Dear Sife team: Good luck!




woensdag, mei 23, 2007

Is het onderwijs in crisis?


"De maatschappelijke vraag aan het onderwijs heeft door alle ontwikkelingen een heel ander zwaartepunt gekregen. De meester is niet meer de enige van het dorp die doorgeleerd heeft. Wie zegt dat de leraar aan status verloren heeft, bedoelt meestal dat hij zijn monopolie op kennisoverdracht verloren heeft. Dat klopt. En nee, dat komt niet alleen door Google en de TV." CNV Onderwijs voorzitter Marleen Barth analyseert het debat over de onderwijskwaliteit en kraakt harde noten.


Wie de media gelooft, zou haast gaan denken dat het Nederlands onderwijs zich in een ernstige crisis bevindt. Kreten als 'ze leren niets meer', 'de kwaliteit holt achteruit' en 'er moet weer gewoon les gegeven worden' zijn niet van de lucht. En zoals wel vaker duiken de media daar boven op, met enthousiasme een betere zaak waardig. Nu is het zeker waar dat er onvrede bestaat. Ouders klagen; overigens zelden over de kwaliteit van het onderwijs, maar wel over segregatie, de gebrekkige aansluiting van school op buitenschoolse opvang, over lesuitval of de hoge kosten van schoolboeken. Sommige studenten en deelnemers laten (al dan niet luidkeels) horen dat de kwaliteit van het gebodene niet aan de verwachtingen voldoet. Onderwijzers, leraren en docenten willen betere arbeidsvoorwaarden, minder werkdruk en liefst wat minder assertieve –misschien wel agressieve- ouders en leerlingen, deelnemers of studenten.

Als voorzitter van een vakbond moet ik mij natuurlijk vooral druk maken over het laatste, en dat doe ik ook. Maar tegelijkertijd vragen de leden van CNV Onderwijs een betrokkenheid van hun bond bij de kwaliteit van het onderwijs in het algemeen. Er bestaat bovendien een grote samenhang tussen het eerste en het tweede; de kwaliteit van het onderwijs staat of valt met de kwaliteit van de man of vrouw in de klas. Daarom veroorloof ik me vandaag een wat bredere blik. Is het onderwijs in crisis? Zo ja, wat moeten we dan doen om die op te lossen? En zo niet, wat is er dan wel aan de hand? En hoe lossen we dat dan op?

Dan moet misschien eerst het hoge woord er maar uit: ik houd niet van de toon van het debat op dit moment. Op zichzelf ben ik niet vies van een potje polariseren, dat kan zeker helpen zaken scherp te krijgen. Maar de manier waarop het in Nederland sinds de opkomst van Pim Fortuyn gemeengoed is geworden elkaar te verketteren, en niet gehinderd door feiten elkaar zwart te maken, en liefst meteen voor het oog van de natie via de media; ik voel me er steeds onbehaaglijker onder. Ik vind het niet passen bij de Nederlandse traditie, waarin altijd de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid de boventoon heeft gevoerd. We waren toch dat volkje dat alleen door eendrachtig te zijn het water buiten de deur heeft weten te houden?

Dat verketteren is ook hoogst contraproductief. Zeker in het onderwijs lopen de belangen van alle betrokkenen voor het overgrote deel parallel. Iedereen wil goed onderwijs. Iedereen wil dat leren in de school inspirerend is voor alle betrokkenen. Iedereen wil dat het Nederlandse onderwijs het beste van de wereld is.

Het interessante is dat wie internationale onderzoeken er op naslaat, zoals het gezaghebbende 'Education at a glance' dat de Oeso elke twee jaar publiceert, ziet dat die laatste doelstelling al jaren praktisch bereikt wordt. Maar de echte zwartkijker ziet daar slechts aanleiding in om te verzuchten dat het er in de rest van de wereld dan helemaal beroerd voorstaat. Tja. Tegen zoveel cultuurpessimisme is geen kruid gewassen.

Het is misschien ook wel typisch voor het onderwijs om het hele leed van de wereld op de eigen schouders te nemen. Immers, veel van de problemen waar scholen en onderwijsinstellingen voor staan, komen van buiten. Dat zijn helemaal geen onderwijsproblemen, maar maatschappelijke problemen die op de school zichtbaar worden. Een subtiel, maar cruciaal verschil. Immers: dan is er misschien wel helemaal geen crisis in het onderwijs, maar in de samenleving. De problemen worden van deze vaststelling natuurlijk niet minder. Maar ze brengt wellicht wel de broodnodige nuchterheid terug in het debat.

In deze voordracht zou ik een poging willen doen in kaart te brengen waar dat crisisgevoel vandaan komt. Ook zou ik, in alle bescheidenheid, een voorzet willen geven op hoe we de ontwikkelingen in het onderwijs weer op een positieve koers kunnen krijgen. En uiteraard vergeet ik de rol van de onderwijzer, de leraar, de docent niet.

Dat onze samenleving zich in een crisis bevindt, of op zijn minst in een overgangsfase, dat is niet zo lastig vast te stellen. We weten ons in Nederland anno 2007 amper raad met de uitdagingen waar we voor staan. We achten ons in West Europa al honderden jaren in sociaal, cultureel en economisch opzicht superieur, maar we worden steeds harder geconfronteerd met de onhoudbaarheid van die opvatting. Een vervuild milieu, ernstige klimaatproblemen, andere volken en culturen die hun plekje onder de zon bevechten, economische competitie van China, India en Brazilie, sociale spanningen tussen verschillende groepen, en wij staan met de handen min of meer hulpeloos omhoog.

Electoraal zoeken we dan maar toevlucht bij partijen die niets anders te bieden hebben dan weemoed naar de tijd dat het leven nog overzichtelijk was. Dat is best begrijpelijk, want het ís ook moeilijk. Ik heb zelf nog vers in mijn geheugen hoe ik uren zonder ouderlijk toezicht in de duinen kon spelen, TV voor kinderen alleen op woensdagmiddag en in zwart-wit werd aangeboden, foe yong hai (opgehaald in een eigen pan) het meest exotische eten denkbaar was, of hoe ik een –dik verdiende- draai om mijn oren kreeg van een buurman.

Mijn kind zal dat allemaal nooit meemaken. Geen sprake van alleen in de duinen, want dan wordt hij meegenomen door een ontsnapte TBS'er of onderweg er naar toe geschept door een vrachtwagen. Hij MSN't, gamecubed en WII't wat af, liefst tegelijk, en haalt toch voldoendes op het gymnasium. Hij heeft op zijn 13e al meer van de wereld gezien dan ik toen ik 30 was. Multicultureel is voor hem geen probleem, want dat is in zijn stad doodnormaal – hij is zelf kleinkind van een vluchteling. En zo’n buurman zou direct de hele justitiële keten over zich heen krijgen.

Een onvoorstelbare omslag in de tijd van een half leven. Het zou wel heel raar zijn, als het onderwijs geen poging deed om dit soort enorme maatschappelijke veranderingen een plek te geven. Onderwijs moet immers eigenlijk de meest toekomstgerichte sector van de arbeidsmarkt zijn. Een basisschool van nu moet kinderen voorbereiden op de samenleving van pakweg 2020. Naarmate de kinderen ouder worden, komt die toekomst dichterbij, maar hij blijft altijd. Scholen zouden zich dus eigenlijk permanent de vraag moeten stellen of ze die taak wel adequaat vervullen. Overigens schalen we merkwaardig genoeg de leraren voor wie die klus het lastigst is – want de toekomst is er het verst weg - het laagst in.

Interessant is ook dat de maatschappelijke vraag aan het onderwijs door alle ontwikkelingen een heel ander zwaartepunt gekregen heeft. Wie zegt dat de leraar aan status verloren heeft, bedoelt meestal dat hij zijn monopolie op kennisoverdracht verloren heeft. Dat klopt. En nee, dat komt niet alleen door Google en de TV. Dat komt vooral omdat het algemene opleidingsniveau van onze bevolking in anderhalve generatie spectaculair is gegroeid. De meester is niet meer de enige van het dorp die doorgeleerd heeft. Een op de drie leeftijdsgenoten heeft nu tenminste hetzelfde opleidingsniveau als de juf, en dat percentage groeit nog steeds.

Die enorme stijging van het opleidingsniveau –vooral die van meisjes is een formidabele prestatie- leidt bij sommige mensen tot een gevoel van inflatie: als "iedereen" zo’n diploma kan halen, zal het wel niets meer voorstellen. Dat is begrijpelijk, maar wel ouderwets. Kennis is geen koek, waar iedereen een kleiner stuk van overhoudt als meer mensen een stukje willen hebben. Kennis is als de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging: met hoe meer mensen je kennis deelt, hoe meer je er van hebt. In een kenniseconomie moeten we dus onze definitie van het economische begrip 'schaarste' op de helling zetten.

Tegelijkertijd zien we dat veel ouders worstelen met de opvoeding van hun kinderen. De gemiddelde omvang van gezinnen is in anderhalve generatie net zo spectaculair gedaald als het opleidingsniveau is gestegen. Voor de meeste kinderen is de school daarom de eerste plek waar zij moeten leren zich aan te passen aan een groep. Waar er vroeger altijd wel een oudere broer of zus klaar stond om korte metten te maken met een al te veeleisend ego, geven ouders nu alle ruimte aan hun 'Adelaarsjong', zoals een leraar het eens tegen me verwoordde. De school is voor deze kinderen vaak een enorm verschil met thuis. Het socialiseren moet tegenwoordig daar beginnen en afgerond worden. Dat legt een aanzienlijke pedagogische druk op het onderwijs.

Onze samenleving is in hetzelfde tijdsbestek ook nog veranderd van een standenmaatschappij waarin je geboorte je leven bepaalde, in een meritocratie waarin je sociale status wordt bepaald door wat je er zelf van maakt. Het gaat niet om gelijke kansen krijgen, maar om de handigheid waarmee je je gelijke kans weet te pakken. Wie het niet haalt, is geen onderwerp van zorg, maar een sukkel. De competitie is moordend en het lot van een ieder die niet aan de goede kant van de streep belandt is bikkelhard. Ook dat vergroot de druk op het onderwijs enorm. Ouders zijn niet gek. Een goede opleiding biedt hun kind direct een enorme voorsprong op minder fortuinlijke leeftijdsgenootjes. Op school mag er dus eigenlijk niets fout gaan. Elk jaar dat niet goed gaat is een verloren jaar.

En dan hebben we nog de politiek. Hoe graag we die in het onderwijs misschien ook buiten haken zouden plaatsen, dat gaat niet. Zolang het onderwijs met gemeenschapsgeld betaald wordt – en wat mij betreft blijft dat nog heel lang - zal die gemeenschap inzicht vragen in en wensen hebben bij de besteding van dat geld. Maar dat slaat wel door, en zeker nu de politiek weer ferm in de greep is van de maakbaarheidsgedachte. Bij alles dat maatschappelijk fout gaat, is er wel een fantasieloze beleidsambtenaar die niets anders weet te bedenken dan: een lespakket. Seksuele weerbaarheid, verkeersveiligheid, bestrijding van obesitas onder kinderen, milieubewustzijn, tolerant en multicultureel burgerschap, op school moeten kinderen het maar leren. Overigens wel ook tegelijk met volmaakt kunnen lezen, schrijven en rekenen. Ook dit stapelt druk op de school.

Het staat onomstotelijk vast dat scholen met al deze ontwikkelingen iets moeten. Velen proberen dat ook. Dat gaat natuurlijk met vallen en opstaan – het blijft tenslotte mensenwerk. Maar waar we Philips en Shell tijd en ruimte gunnen om in laboratoria spaarlampen en hoogwaardige benzine te ontwikkelen, mogen scholen niks fout doen – elk jaar is immers een verloren jaar. In het publieke debat wordt het experiment al snel afgemaakt, elke poging tot ontwikkeling fluks verketterd – kinderen zijn toch geen proefkonijnen?

Maar dat vast zetten van scholen is juist een doodlopende weg. Het is van groot belang dat scholen er in slagen om een eigen, gedragen visie te ontwikkelen op de vraag hoe het leren in de eigen gemeenschap het beste kan plaats vinden. Onderzoek heeft immers ook bewezen dat scholen die over zo’n –door alle betrokken partijen gedragen- visie beschikken, het beste onderwijs leveren. Hoe groter het plezier en de bezieling waarmee leraren hun werk doen, hoe beter de prestaties van de school. Hoe groter de betrokkenheid van ouders, hoe hoger de kwaliteit van een school. Hoe groter de motivatie van leerlingen, hoe lager de schooluitval.

De Tweede Kamer heeft net besloten om een onderzoek te gaan doen naar de succes- en faalfactoren van onderwijsvernieuwingen van de afgelopen decennia. Wij hebben ons als CNV Onderwijs tegen zo’n onderzoek gekeerd –al is het gezien het gebrekkig ontwikkelde collectieve geheugen van de huidige Vaste Kamercommissie voor OCW misschien zo slecht nog niet. Maar een Kamer die gaat onderzoeken waarom iets niet gelukt is, komt misschien wel in de verleiding om dat iets nog eens te proberen, maar dan goed. Terwijl de belangrijkste les van de afgelopen decennia zou moeten zijn, dat het debat over de vraag hoe leren het best plaats kan vinden niet moet worden gevoerd of besloten in de politiek. Dat moet in de school. Daar zitten de professionals die er voor doorgeleerd hebben. Daar moet het draagvlak gevonden worden. Daar zitten de stakeholders die tevreden moeten zijn.

Bovendien, op de vraag hoe leren het beste kan worden gedaan, bestaan geen eenduidige antwoorden. Kinderen verschillen, en dus moeten scholen ook van elkaar kunnen verschillen. Het ene kind floreert in Jenaplan of Montessori, het andere kind kan er niks mee. Het ene kind voelt zich als een visje in het water als hij veel eigen verantwoordelijkheid mag dragen, een ander kind bezwijkt daar onder.

Daarom is het zo goed als ouders keuzevrijheid hebben. Het mooie van het Nederlands onderwijssysteem is dat het die keuzevrijheid ruimschoots biedt. En dus ook aan leraren. Ook zij hebben de ruimte om een school te vinden waar zij zich thuis voelen. De ene docent voelt zich senang op een school waar leerlingen veel zelf of samen doen, een ander hecht enorm aan een eigen actieve rol. Beiden verdienen een plek in het onderwijs, beiden zijn met hart en ziel met hun vak bezig.

Het gaat dus niet aan, om het Nieuwe Leren –wat een merkwaardig containerbegrip is dat toch- te verketteren als de tien plagen van Egypte. Dat is net zo merkwaardig als de Onderwijsinspectie die die meer traditioneel werkende scholen dáár op afrekent.

Waar het om gaat, is dat leraren zich dagelijks op hun school uitgedaagd voelen om na te denken over de vraag: beantwoord de manier waarop wij ons onderwijs hebben ingericht nog wel aan de eisen van de tijd? En voel ik mij thuis bij de manier waarop daar binnen mijn school mee om gegaan wordt? En nee, dan niet gaan zitten vitten op ‘het management’, dat opeens als personificatie van het kwaad wordt gezien, en als je niet oplet met pek en veren overladen de school uitgegooid. Elke school heeft schoolleiders nodig. En een goede manager weet, dat hij – of zij - het werk nooit goed kan doen zonder te weten wat er leeft op de werkvloer, en waar de werkvloer het best bij gebaat is. Dienend leiderschap, noemen wij dat met een mooi ouderwets CNV- begrip. Laten we eerlijk zijn, dat is een waarde die in onze samenleving een beetje in onbruik is geraakt. Maar ik durf op mijn intuïtie de stelling wel aan dat we in het onderwijs in het gelukkige bezit zijn van meer betrokken, bezielde leiders dan elders.

Als bond staan wij natuurlijk onze leden bij, als ze tijdens een slecht uitgevoerd vernieuwingsproces in de knel raken. Maar leraren mogen ook best grote mensen zijn. Zeker nu de arbeidsmarkt steeds krapper wordt. Als je als leraar je niet thuis voelt bij zo’n school, kan je ergens anders gaan werken. Als het je als deelnemer niet bevalt, kan je ergens anders naar school. Als het principe van onderwijsvernieuwing je niet aanstaat, richt je gewoon een school op waar wel frontaal, klassikaal wordt les gegeven. Het kan allemaal in Nederland. Daarom is de stelling 'nergens een studiehuis' net zulke flauwekul als 'overal een studiehuis'. Laat scholen zelf beslissen over hun pedagogisch- didactische aanpak. Laat het debat daarover dus vooral in de school gevoerd worden. Laat de gemeenschap die een school is, zelf antwoorden formuleren op de maatschappelijke vragen van vandaag. Dat levert meer op aan persoonlijke voldoening én concrete verandering dan brullen tegen journalisten.

Het unieke karakter van het Nederlands onderwijsbestel – publiek gefinancierde vraagsturing - waarborgt overigens dat schoolbesturen over het algemeen graag naar kritische ouders, leerlingen of studenten luisteren. Als die weglopen, is dat immers slecht voor de zaken. Dus, ben je niet tevreden, niet bij de minister gaan jammeren, maar gewoon je eigen problemen op je eigen school oplossen. En helpt het niet – er zijn ook slechte schoolbesturen - dan stemmen met de voeten. Wie houd je tegen?

Het valt mij op dat discussies als die nu woeden over het Nieuwe Leren in het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs, telkens volledig aan het basisonderwijs voorbij lijken gaan. Daar vinden leraren het heel normaal, dat je regelmatig onderzoekt of de wijze van lesgeven nog wel bij de tijd is. Bijna alle basisscholen hebben in stilte allerlei nieuwe werkvormen geprobeerd en overgenomen. Waarschijnlijk heeft dat te maken met het feit dat leraren basisonderwijs met een veel grotere pedagogisch-didactische bagage van hun opleiding komen. En dat zij met hun eigen statusbeleving veel meer gehecht zijn aan het hebben van die bagage, dan de collega’s in bijvoorbeeld het voortgezet onderwijs. Die hechten vaak meer aan vakinhoudelijke kennis.

Wat dat betreft zijn er nog vele taboes te slechten. Waarom hangt de status – en het salaris - van een leraar eigenlijk af van de intelligentie van de kinderen aan wie hij lesgeeft? Waarom worden docenten aan de hogeschool standaard hoger ingeschaald dan collega’s in groep 2 van de basisschool? Waarom heten dat 'docenten' en niet gewoon ‘onderwijzers’? Waarom vechten teams elkaar de tent uit over een uur meer of minder voor wiskunde of Nederlands? Is een goede leraar iemand die veel weet, iemand die kennis goed aan kinderen weet over te brengen, of iemand die dat combineert? Waarom hebben we het eigenlijk zo weinig met elkaar over dit soort cruciale vragen?

Zijn er dan helemaal geen landelijke waarborgen nodig voor goed onderwijs? Natuurlijk wel. Ten eerste, de vraag wát kinderen moeten leren. Die vraag is te belangrijk om uitsluitend aan scholen over te laten. Immers, bedrijven, ouders, werkgevers, vervolgopleidingen, buitenlandse ontwikkelingen hebben daar ook allemaal een mening over, belangen bij of invloed op. Het is daarom niet meer dan normaal dat de politiek, die dus zou moeten zwijgen over de vraag hoe kinderen leren, zich wel intensief bemoeit met de vraag wát kinderen leren. Het gekke is dat de Tweede Kamer het debat daarover doorgaans schuwt; een enkel schermutselingetje over evolutieleer of seksuele voorlichting daargelaten.

Maar als de Kamer het werkelijk zo belangrijk vindt dat iedereen in Nederland foutloos leert spellen, waarom staat dat dan niet meer in de eindexamens? Als de canon inderdaad de kern van het geschiedenisonderwijs weergeeft, waarom staat die dan niet zo in de kerndoelen? Waarom geen debat over de vraag of onze slimste leerlingen in de 21e eeuw niet meer hebben aan Chinees, Sanskriet en Spaans dan aan Grieks en Latijn? Of over de vraag waarom staatsinrichting niet verplicht is voor iedereen, terwijl we wel allemaal mogen stemmen? En als de inhoud van het onderwijs zo belangrijk is, waarom is dan juist die inhoud het enige stukje van ons onderwijsbestel dat we overlaten aan het commerciele bedrijfsleven?

Stuk voor stuk vragen die zeer raken aan de kern van de kwaliteit van ons onderwijs, maar het lijkt wel of niemand zich er druk over maakt.

Het tweede is, en dan beland ik weer bij mijn eigen core business, de rol van leraren (en, niet te vergeten, onderwijsondersteunend personeel). Er zijn maar weinig sectoren op de arbeidsmarkt die het zo sterk moeten hebben van hun menselijk kapitaal. En er zijn maar weinig sectoren waar de deskundigheid om goed in dat menselijk kapitaal te investeren zo laag ontwikkeld is. Iedereen wil graag creatieve, intelligente, ondernemende, betrokken mensen voor de klas, in de hoop dat die ook creatieve, intelligente, ondernemende en betrokken kinderen afleveren. Hoe kunnen we er nou voor zorgen dat die mensen er ook zijn, en, nu steeds belangrijker, dat er ook voldoende zijn?

Wij als vakbond hebben de conclusie getrokken dat een aantal wijzigingen in de rechtspositie van leraren onontkoombaar was en is om dat doel dichterbij te brengen. We zijn akkoord gegaan met beloningsdifferentiatie, om het mogelijk te maken dat de collega's die altijd die tien meter extra lopen daar ook eens een schouderklopje voor kunnen krijgen. We hebben het last in, first out principe in de ontslagvolgorde losgelaten, om te voorkomen dat het jonge, frisse talent er standaard als eerste uitvliegt. We durven de discussie aan te gaan over meer flexibiliteit in arbeidstijden, omdat het hollen of stilstaan van het schooljaarritme mensen qua werkdruk over de rand kan jagen. En we maken ons liever sterk voor modern, professioneel personeelsbeleid in alle scholen, dan dat we ons keren tegen de plek waar slecht personeelsbeleid zichtbaar wordt: het functiewaarderingssysteem.

Maar we willen ook meer ademruimte voor leraren om hun vak goed aan te kunnen. Minder uren voor de klas in het voortgezet onderwijs, zodat er meer tijd over blijft voor onderwijsontwikkeling en professionaliteitsversterking. Kleinere klassen in het primair onderwijs, zodat de ambitie om adaptief onderwijs en een grote zorgbreedte te leveren ook haalbaar wordt. En hogere kwaliteit van lerarenopleidingen, zodat de voorbereiding op de praktijk meer solide wordt.

Niet de educatieve uitgeverijen die hun winstmarges opkrikken met nog luxere, nog meer overladen en gedetailleerder samengestelde onderwijsmethoden. Halffabrikaten, bijvoorbeeld aangeboden via internet, waar leraren vervolgens voor hun eigen klassen maatwerk van kunnen maken, dat is genoeg. Op die manier schep je randvoorwaarden die er voor zorgen dat leraren weer uitgedaagd worden zelf dagelijks bezig te zijn met die cruciale vraag: hoe breng ik de stof in de hoofden en harten van de leerlingen?

Daar mag ook best een zekere emancipatie van de leraar voor plaatsvinden. De Onderwijsinspectie heeft leraren in de onderbouw van het voortgezet onderwijs wel eens 'methodeverslaafd' genoemd. Niet doen! Ook deze verslaving is slecht voor je! Ik heb wel eens een interview gegeven over dit verschijnsel, onder het motto 'geef de leraar zijn vak terug'. Dat vak, voor alle helderheid, is niet Aardrijkskunde of Frans, maar lesgeven. Maar ook overigens is de leus eigenlijk niet goed. Beter is: leraar, neem je professie terug. Kom op voor je eigen werkplezier! Ga niet wachten op de minister, de Tweede Kamer, de Inspectie, de ouders, de kinderen, zelfs niet op de vakbond.

Er wordt veel, heel veel, van leraren verwacht. Eis daarom een uitmuntende opleiding die je de instrumenten biedt om alle pedagogische, didactische en intellectuele uitdagingen in je werk aan te kunnen. En als je aan het werk gaat, sta dan voor je eigen deskundigheid.

Daarbij hoort natuurlijk ook een arbeidsvoorwaardenpakket dat bij intelligente, creatieve en ondernemende mensen niet op de lachspieren werkt. Dus: kortere salarislijnen, meer functies in hogere schalen, die ook bereikbaar zijn voor mensen die gewoon goed zijn in hun werk als leraar. Een loopbaan in het lesgeven mogelijk maken, en niet alleen vooruit als je lesgeven opgeeft en manager wordt.

Ja, dat kost veel geld. Alleen voor het voortgezet onderwijs, waar het ernstigste tekort aan leraren in vijftig jaar dreigt, kost het meer dan nu in het regeerakkoord voor het hele onderwijs is uitgetrokken. Maar als Nederland een echte kenniseconomie wil worden, dan gaat de cost voor de baet uyt. Alle bij onderwijs betrokken organisaties hebben daarom in november 2006 hun handtekening geplaatst onder een manifest dat oproept de investeringen in onderwijs en wetenschappen te verhogen met tussen de 5 en 6 miljard euro per jaar. In het regeerakkoord van Balkenende IV is daar te weinig van terecht gekomen. Maar dat is voor ons geen reden het moede hoofd in de schoot te leggen. Het onderwijs staat voor enorme uitdagingen. Grote maatschappelijke ontwikkelingen moeten kunnen landen in de school. De beste manier om dat voor elkaar te krijgen, is scholen en leraren daarin zelf hun weg te laten vinden. Zij verdienen daarbij voldoende armslag: het recht om fouten te maken. Ze verdienen daarbij waardering: koester de leraar. Ze verdienen voldoende menskracht en middelen. Daar blijven wij voor strijden.

Marleen Barth
voorzitter CNV Onderwijs
(Zij heeft dit essay ook als lezing op hogeschool Windesheim voorgedragen op 12 april)

Onderwijsgever moet onderwijsmaker zijn

Door ideologisch wensdenken heeft men in het onderwijs te lang geen lering getrokken uit de verspreiding van innovaties in het verleden. De onenigheid en verongelijkte discussie over wie er schuldig is aan de "slechte kwaliteit van het onderwijs' zijn erg onwetenschappelijk. Dat stelt prof.dr. Theo Bastiaens, hoogleraar Onderwijskunde aan de OU in zijn inaugurele rede.


Volgens Bastiaens zijn wetenschappers, leraren en niet te vergeten onderwijsadviseurs er allemaal schuldig aan dat 'vernieuwingen' onvoldoende gefundeerd zijn. Al te vaak baseert men zich op populaire 'artikeltjes' over een onderwijsvernieuwing zonder op de gedegenheid te letten. Het is dan ook niet vreemd dat er onbedoelde en ongewenste ontwikkelingen optreden. Bovendien werden innovatieprojecten nogal eens alleen met ideologie onderbouwd.

Bij 'het nieuwe leren' was men vanuit een constructivistische ideologie (de lerende bewerkt en verwerkt informatie) blind voor de praktijk. Door ideologisch wensdenken heeft men in het onderwijs te lang geen lering getrokken uit de verspreiding van innovaties in het verleden.

Bastiaens vindt ook dat bij zijn eigen thematiek 'het leren met nieuwe media' te veel is uitgegaan van 'wensdenken en technologie' en minder vanuit 'realiteit en leren'. Men dient zich vooraf af te vragen wat de toegevoegde waarde van nieuwe media in het leerproces is. Soms kan nog nauwelijks kennis gedeeld worden, omdat er op het betreffende terrein nog niet veel bekend is. Op het gebied van Bastiaens’ leerstoel bijvoorbeeld is nog weinig praktijkonderzoek gedaan. De didactiek van nieuwe media is echter zeer belangrijk geworden. Volgens Bastiaens zo belangrijk dat er, analoog aan Duitsland, een heel vakgebied voor ingericht zou moeten worden: de mediadidactiek.

Diegene die vanouds de spil is in het leerproces, moet deze rol nadrukkelijk weer spelen. Volgens Bastiaens is het huidige probleem dat de leerling (en zijn ouders) op een overdreven manier centraal staan. Dit zorgt voor verwende beterweters, die het feitelijk niet beter weten dan de professional voor de klas.

Bastiaens wil niet terug naar vervlogen tijden waar de leraar centraal stond, de nadruk moet liggen op 'het leren'. De hoogleraar pleit voor vakbekwame leraren die gericht het leerproces voor hun leerlingen ontwerpen. Nieuwe media, zoals het gebruik van educatieve software maar ook intelligente schoolborden, moeten daarbij verantwoord ingezet worden. Voor dat het zo ver is, dient er echter heel wat te gebeuren bij de opleiding van leraren. Op dit moment is er weinig aandacht in de lerarenopleidingen voor de didactiek van nieuwe media en het zelf ontwerpen van onderwijsmaterialen.

Vreemde ogen dwingen


Het Nederlandse hoger onderwijs heeft een zekere eigendunk. Een grondige herbezinning is daarom nodig, zo blijkt uit de OESO-review van het hoger onderwijs: "The Netherlands must strengthen the capacity of its tertiary system, rendering it more responsive and flexible, for a more European and global future, and more fully suited to integrating first and second generation immigrant populations into the human capital and culture of the nation".

ScienceGuide biedt daartoe een overzicht van de meest pregnante en opmerkelijke inzichten en conclusies uit de OESO-review ten aanzien van beleid en strategie voor het hoger onderwijs en de kennissector. Bij elk inzicht staat aangegeven welk concreet punt uit deze review hiervoor de bron vormt.



1]
Er leeft het idee dat Nederland, 20 jaar na de HOAK-nota, nog steeds een strategisch doordacht HO- beleid kent. De feitelijke beleidslijnen en hoofdpunten van aandacht bij instellingen en beleidsmakers getuigen daar in concreto alleen weinig van. De pretentie dat de Lissabondoelstellingen "important national goals" vormen, slikt de OESO niet. Het lijkt meer "lip service" dan een "effective and practical commitment" (67).

Dit onjuiste zelfbeeld leeft ook bij de inzet voor verborgen en allochtoon talent en voor hun doorstroming naar het HO. Maar "where students from non-western populations fit in is unclear" (154). En het lijkt alleen de HBO-raad echt iets te kunnen schelen of dit zou lukken in de praktijk. De allochtone jongeren blijken ook slechter voorbereid te worden op HO-doorstroom dan elders (152). Geen gesprekspartner van de OESO noemde het doorstroomsucces van allochtonen als een van de kernpunten voor de komende 10 jaar (155). Lippendienst dus.

2]
Dit de facto gebrek aan beleidsstrategie schaadt de talentontplooiing en de kenniseconomie (166): "The nation's human resources are not being well exploited." De slaagkansen van allochtone jongeren in het HO zijn "clearly below average" en daar wordt niet genoeg aan gewerkt.

Zwak is ook de feitelijke inzet voor levenlangleren. Nederland zit 50% onder het gemiddelde van de OESO- landen op dit vlak, "a relatively weak commitment." Zeker als vergelijkbare landen als Zweden of UK nu reeds twee tot drie maal zo hoog scoren als dat OESO-gemiddelde. "More than in many other nations, in the Netherlands higher education is seen as a preserve of the young" (20). En dit heeft vergaande gevolgen, stelt de OESO: "This spells trouble for a country that aspires to be a leader in a knowledge-based world" (164).

3]
Er wordt bovendien nauwelijks nagedacht over de consequenties hiervan. Blijkbaar denken beleidsmakers dat 'Lissabon' haalbaar is door het hbo 'op te pompen' - zonder van deze HO-sector de aanpak en inhoud bij te hoeven stellen daartoe - en door het wo verder te laten voor wat het is (338). Impliciet zegt dit dat het hoger onderwijs aan de helft van de bevolking geen boodschap heeft. Gelet op het succes van de Nederlandse jeugd bij PISA-metingen en het succes van bijvoorbeeld Canada bij doorstroom en HO-deelname acht men dit een twijfelachtige opstelling (341).

4]
Deze strategische zwakte wordt indirect trouwens aangemoedigd door de relatief geringe opbrengst van HO-opleidingsinspanningen voor deelnemers. Finse studenten hebben bijvoorbeeld 50% meer economisch rendement van een studie aan universiteit en hogeschool (178). Een ongepubliceerde CPB-studie geeft aan dat een hbo-opleiding bovendien slechts de helft 'oplevert' van het - op zich dus al beperkte - wo- rendement voor de deelnemer.

5]
De OESO noemt de gebruikelijke aanpak van HO-problemen "disturbing" (338). De gewoonte het HO strikt als jeugdonderwijs te interpreteren is een diep ingesleten probleem. Verscheidenheid wordt daarbij opgelost door segmentering binnen dat jeugdonderwijs en niet door pluralisme en mobiliteit daarbinnen. Dit noemt men een nog veel fundamenteler probleempunt.

6]
Worden succesvolle beleidsprestaties geleverd, dan is dit veelal ondanks in plaats van dankzij de beleidskaders die op nationaal niveau geacht worden te gelden (68). Over de kwaliteit en effectiviteit van het ministerie van OCW is de review uitermate negatief: ongecoördineerd, zowel intern (71), als met andere departementen (69), met het "significant" Innovatieplatform (70 en 297) en de partners in het veld (72), als ook de studentenorganisaties (89) en de inspectie (71). Het apparaat is meer doende met politiek te bedrijven dan met het ontwikkelen van "policy" en de "long term health and effectiveness of the system for which it is responsible." (72).

7]
Symbolisch actionisme lijkt strategische visiegebreken te moeten maskeren (68 en 78). 20 jaar na de HOAK-nota en 15 jaar na de invoering van de WHW ontbreekt een wezenlijk beleidskader waarbinnen instellingen hun autonomie en kwaliteit en de externe impulsen om deze verder te verhogen ten volle kunnen waarmaken en benutten (80). Het ontbreekt blijkbaar aan het vermogen, "and perhaps willingness", bij de regering om leiderschap te tonen ter wille van het vormgeven van het HO-bestel "in the national interest, including global competitiveness and trajectory" (68).

Wel is de overheid bereid onpartijdige expertise te betrekken bij haar beleid, waarbij de AWT, het IP en de commissie-Chang als voorbeelden gelden (65 en 70). Maar dat verhindert niet dat OCW "not always stable" functioneert en het departement bovendien intern de kwaliteit ontbeert, in mensen en organisatie, om inhoudelijk op de hoogte te zijn van de ontwikkelingen van en in het hoger onderwijs (71). Het veld weet daardoor regelmatig niet wat de beleidslijn van OCW is en de review stelt zelfs "in some cases there is no policy"(72).

8]
Andere ministeries dan OCW worden tegen deze achtergrond nogal eens eerder als beleidsconcurrent en bedreiging beschouwd, waardoor de beleidsvorming onsamenhangend wordt en geschaad raakt. Dit is ook het geval bij de incoherentie van OCW en organen die de immigratie en opvang van migranten moeten regelen (69, en 296-97). Beleid wordt "primarily dictated" door "a nationally protectionist outlook and the modus operandi of immigration authorities" (298).

Wandelgangen.


-Klaas Wybo legt een gesprekje met Helma en Wiep vast-
Zo maar overleg op de wandelgangen. Een goed gesprek. Over? Kwaliteit? NQA? Visitaties? Hobeon? Accreditaties? Jaarverslagen? Kwaliteitsimpulsen? NVAO? Mid term reviews? Begrotingen? QA? EFQM? Borging? BSC?

Open dag, gastvrij huis - WELKOM!


Strategisch Plan.

We zijn hard aan het werk met het nieuwe Strategisch Plan. Er worden brain storm-sessies gehouden, er wordt nagedacht, veel documenten worden bestudeerd, collega's ge-interviewd, stakeholders van buiten geconsulteerd. Strategie bedenk je namelijk niet achter het bureau of als CvB alleen! Via ons Intranet kan gereageerd worden. Met onderstaande brief gaven we de aftrap! Reageer, doe mee, laat van je horen! Voel je welkom!





Beste allemaal,

In de zomer van 2007 hopen wij het proces, om te komen tot een nieuw strategisch plan en een daaraan gekoppeld ondernemingplan, af te ronden en het concept resultaat voor te leggen aan onder meer de Raad van Toezicht en de Hogeschoolraad.

De afgelopen maanden is er in het kader van Kwaliteitsimpuls al een stevige basis gelegd in de totstandkoming van de plannen (Bouwstenen). In het vaststellen van de strategische koers voor de komende 5 jaar, is naast een interne focus ook een verkenning van de externe invloeden van groot belang.

Wij hebben de heer Jos van Vliet, Principal Consultant Cap Gemini, bereid gevonden ons te ondersteunen in het vervolmaken van de interne en externe verkenning. Hij begint a.s. maandag 14 mei samen met Wiebe Goodijk en Folkert Sonsma aan de totstandkoming van het plan.

(Zie Intranet: Op deze wiki, in deze rubriek, vind je vanaf week 20 vrijwel dagelijks een update van Jos. Ook kun je op deze wiki meepraten en je mening geven. We hopen op zoveel mogelijk input!)

Met hartelijke groet,

College van Bestuur Robert Veenstra en Klaas Wybo van der Hoek

Gefeliciteerd Geert!

Jammer voor de stad Leeuwarden Geert maar goed voor het HBO. Ik zal je missen als burgemeester maar ben blij dat ik je als nieuwe collega in het HBO krijg.














Telegraaf AMSTERDAM - Geert Dales stopt als burgemeester van Leeuwarden. Dat maakte de prominente VVD'er maandagmiddag bekend op een persconferentie in Leeuwarden. De 55-jarige Dales wordt voorzitter van het college van bestuur van Hogeschool InHolland in Den Haag.

Dales is sinds 1 mei 2004 burgemeester van de Friese hoofdstad. Hij legt functie met ingang van 15 juli neer. Diezelfde dag begint hij bij InHolland.
Haddo Meijer, voorzitter van de raad van toezicht van de hogeschool, is zeer ingenomen met de nieuwe bestuursvoorzitter. "Dales voldoet in alle opzichten aan het door ons geschetste profiel. Dales is de aangewezen man om leiding te geven aan onze organisatie. Hij beschikt over de benodigde bestuurlijke ervaring, is maatschappelijk betrokken en is een open, dynamische en energieke persoonlijkheid."
Dales noemt zijn benoeming een unieke kans om na zijn functies in de diplomatie, de kunst- en cultuursector en het openbaar bestuur het publieke domein opnieuw te mogen dienen vanuit een ander perspectief. "Het profiel van InHolland spreekt mij zeer aan: ondernemend, innovatief en sterk gericht op grootstedelijke vraagstukken."
Dales zei in de Oranjezaal van het Leeuwarder stadhuis dat de keuze te vertrekken "geen makkelijke zaak" was. "Leeuwarden heeft een bijzondere plaats in mijn hart." Hij gaf maandagmiddag de lijfspreuk van Leeuwarden, 'het was niks, het is niks en het wordt nooit wat', een eigen draai. "Het was niet slecht, het is tamelijk goed en het wordt fantastisch."
Eerste loco-burgemeester Gerrit Krol (CDA) volgt Dales na zijn vertrek voorlopig op.
Twee jaar geleden kreeg de hogeschool nog de Inspectie van het Onderwijs op zijn dak na een gestage stroom van klachten van studenten over lessen die uitvielen, een slechte organisatie, de beoordeling en de tentamens. De inspectie kon de klachten over het onderwijs grotendeels onderschrijven. Docenten hadden bovendien moeite met de grote werkdruk. De onderwijsinspectie vond dat het bestuur van de school te laks was geweest met ingrijpen.
Dales was voor zijn burgemeesterschap in Leeuwarden onder meer wethouder van financiën en economische zaken van Amsterdam en directeur van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst. Hij is sinds 2000 voorzitter van de raad van toezicht van het Koninklijk Conservatorium en de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag. Ook die functie zal hij neerleggen.

-------------
ScienceGuide: InHolland werft burgervader
Geert Dales wordt voorzitter van InHolland als de opvolger van Jos Elbers. Dales is nu nog burgemeester van Leeuwarden vanuit de VVD en sinds 2000 voorzitter van de Raad van Toezicht van het Koninklijk Conservatorium en de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten. Die hbo-bestuursfunctie zal hij moeten opgeven.

Haddo Meijer, voorzitter van de Raad van Toezicht van InHolland is verheugd en zegt: "Geert Dales voldoet in alle opzichten aan het door ons geschetste profiel. Onder leiding van Jos Elbers heeft de hogeschool zich ontwikkeld tot een onderwijsinstelling die financieel gezond en toekomstbestendig is. Dales is de aangewezen man om leiding te geven aan onze organisatie. Hij beschikt over de benodigde bestuurlijke ervaring, is maatschappelijk betrokken en is een open, dynamische en energieke persoonlijkheid."

Elbers vindt ook zelf Dales een prima opvolger. "In de afgelopen vijf jaar hebben we een vernieuwende onderwijsorganisatie neergezet waarvan nu de kwaliteits- en prestatieverbetering gelukkig steeds meer zichtbaar wordt. Geert Dales zal dit samen met de overige leden van het College van Bestuur verder uitbouwen." Dales was voor zijn burgemeesterschap onder meer wethouder van financiën en economische zaken van Amsterdam en directeur van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst.

Binnen de VVD staat Geert Dales bekend als geestelijk vader van het Liberaal Manifest. Over onderwijs schrijft hij daarin onder meer: "Onderwijs gedijt alleen bij rust: een drastische reductie van de omvang van het departement van OCW is hiertoe de belangrijkste voorwaarde.

Het onderwijs is de belangrijkste taak van de regering na haar rol als 'nachtwaker' (zorg voor veiligheid, openbare orde en justitie) en heeft daarmee een hogere prioriteit dan sociale zorg. Het onderwijs in de Nederlandse taal, in de Nederlandse geschiedenis, in hoe die geschiedenis de politieke en sociale identiteit van onze natie heeft gevormd (de 'canon'), in de politieke instellingen van Nederland en van de Europese Unie moet bijdragen aan ‘burgerschapsvorming’. Dit betekent overigens niet dat 'burgerschapsvorming' een apart schoolvak zou moeten zijn (want dat leidt alleen maar tot ijl geklets)". De staat moet die burgeschapsvorming veeleer bereiken door artikel 23 zo te wijzigen, dat van levensbeschouwelijke discriminatie verboden wordt, en ook bijvoorbeeld islamitische scholen verplicht worden de Nederlandse rechtsorde te aanvaarden".

Over het hoger onderwijs meldt Dales in het Liberaal Manifest het volgende: "De universitaire studie duurt vijf jaar: drie jaar voor de BA-opleiding en twee jaar voor de MA- opleiding. Er is studiefinanciering van zodanige hoogte dat de student voor zijn levensonderhoud niet afhankelijk is van bijbaantjes. Daarbij kan ook worden gedacht aan een goed functionerend leningensysteem. Het bedrag dat de staat investeert in het hoger onderwijs mag niet liggen onder het gemiddelde van de top-vijf in de EU. De universiteiten krijgen de vrijheid te kiezen tussen duur en excellent onderwijs voor kleine aantallen en goedkoop en goed onderwijs voor grotere aantallen - en alles daartussen in. Het wetenschappelijk niveau van de universiteiten wordt gegarandeerd door hen met elkaar te laten concurreren. Bij de toewijzing van subsidies in de eerste en tweede geldstroom wordt rekening gehouden met verschillen tussen disciplines. Meer in het bijzonder, in de exacte wetenschappen wordt het onderzoek, in de alfa- en gammavakken de onderzoeker gesubsidieerd.

Tot slot: het onderwijs, in het bijzonder het beroepsonderwijs, vervult de fenomenale taak van het opleiden van de vakkrachten en uitvoerders die onze economie en samenleving draaiend houden. De staat dient erop toe te zien dat de opleidingen tot verpleger, politieagent of elektricien aan de hoogste, eigentijdse eisen voldoen. Het besef dat ieder op de werkvloer - in al die bedrijven, ziekenhuizen of politiebureaus - zijn eigen verantwoordelijkheid heeft en niet slechts onderdeel is van een anoniem en fabrieksmatig proces, staat daarbij voorop. Meer misschien dan de democratie in het groot, is het zulk daadwerkelijk burgerschap dat de Nederlandse samenleving ten goede zal komen. voor de controle daarop. Daarom pleit de VVD voor een behoud en herstel van de staatssoevereiniteit op die gebieden waar de staat behoort te acteren".

ISO wenst HO-Autoriteit

De verantwoordelijkheid voor kwaliteit en bestel van het HO moet fundamenteel worden herzien. Het ISO komt op de valreep van de '100 dagen' met ingrijpende voorstellen voor de nieuwe wet op de governance en bekostiging van het hoger onderwijs en de lange termijnagenda voor het kennisbeleid die minister Plasterk heeft aangekondigd voor komend najaar. Daarbij willen de studenten dat de kritische analyses uit de OESO-review zeer serieus genomen worden.


Het ISO stelt onder meer voor de verantwoordelijkheid voor de borging en ordening van het HO-aanbod te concentreren in een nieuwe Hoger Onderwijs Autoriteit, die ontstaat uit een omvorming van de NVAO met functies die nu onder meer bij de IBG (registratie, Croho) en de inspectie zijn belegd. Ministerie en parlement zouden zich hierdoor nadrukkelijker kunnen toespitsen op hun wezenlijke taak ten aanzien van de bestelverantwoordelijkheid en de afweging van de publieke investeringen in het bekostigde deel van het hoger onderwijs en onderzoek.

Plasterk wil meer les

Eerstejaarsstudenten in het hoger onderwijs krijgen gemiddeld 13 uur les per week, zo blijkt uit een onderzoek van de Inspectie. Minister Plasterk noemt dit "weinig". "Bovendien geeft een kwart tot een derde van de studenten in het hbo aan dat zij meer dan 10% lesuitval ervaren. Dat is veel".

Hoewel de minister niet gelooft in verplicht aantal lesuren in het hoger onderwijs, wil hij wel samen met de onderwijsinstellingen een aanpak te ontwikkelen om op dit punt betere prestaties te leveren. De intensiteit van het onderwijs in met name de eerste twee jaar van een opleiding is niet alleen van groot belang voor de kwaliteit van het hoger onderwijs maar ook essentieel om jonge mensen te motiveren en enthousiasmeren voor hun studieloopbaan”.

ScienceGuide

Nes Ammin.





We had a very fruitful meeting with the International Board of Nes Ammim. This international organisation is value driven and encourages the dialogue between the different religions in Israel and other countries.

zondag, mei 20, 2007

Plasterk nog erg populair

Tour de Holland wekt cynisme (opinie)

Trouw - Sebastiaan van der Lubben, politicoloog

Het kabinet is honderd dagen het land in geweest. Weten ze nu wat er speelt? Is de kloof gedicht? Nee, we zijn er niets wijzer van geworden.
Minister van Onderwijs Plasterk was tot tranen toe geroerd door de vele tienermoeders die het VMBO bevolken. Zijn rationele, wetenschappelijke hart overstroomde met emoties, vertelde hij journalisten. Het was blijkbaar voor het eerst dat hij hoorde van vrouwen onder de twintig met kind en de daaruit voortvloeiende problemen op het gebied van hun maatschappelijke ontwikkeling. Hij weet er nu in ieder geval van en dat is niks te laat. Zo bezien heeft de tour de Holland een functie. Maar ook twee bezwaren.

In de eerste plaats verwatert met deze fact finding mission het mandaat van kiezers - van u en mij - nog meer. Ten tweede wekken de ministers verwachtingen door politiek te vernauwen tot goede uitvoering. De vraag rijst of die verwachtingen zijn waar te maken. Beide bezwaren hebben een belangrijke consequentie: toenemende onduidelijkheid over de politieke koers van dit kabinet.

Eerst het verwaterde mandaat. De mening van een kiezer moet eerst in een program zijn terug te vinden. Dat program is uitgangspunt voor een regeerakkoord waar keizers al helemaal niks over te zeggen hebben. Wat daarvan rest wordt vervolgens door een minister nog eens honderd dagen tegen het licht gehouden. De kans dat kiezers zich in die bevindingen zullen herkennen, is klein. Of toch niet?

Een goed opgesteld partijprogramma zou moeten leiden tot dezelfde conclusies als het honderd-dagen rapport waarmee het kabinet straks komt. Partijprogramma's signaleren immers op te lossen maatschappelijke problemen. De tour de Holland ook. En die zullen niet wezenlijk van elkaar verschillen - zou je denken.

Zo bezien dringt zich meteen de vraag op waarom ministers dan honderd dagen het land in trekken terwijl ze een partijprogramma hebben meegekregen waarmee ze direct aan de slag kunnen gaan? Anders gezegd: waarom schrijven partijen nog een programma? Waarom stellen ze niet alleen kandidaten voor die beloven hun agenda door die eerste honderd dagen te laten bepalen? Ik zou trouwens blind voor Plasterk hebben gekozen: een briljante wetenschapper is de taak om problemen te signaleren en op te lossen wel toevertrouwd.

Plasterk zou kunnen opmerken dat hij met zijn bezoek aan het volk juist de kloof dicht. Op partijprogram en regeerakkoord heeft de burger geen invloed. Op zijn bevindingen wel. Dat daarmee de representatieve democratie op de helling komt te staan, is een interessante discussie.

Hier gaat het om het kiezersmandaat. En dat burgers daadwerkelijk invloed op de ministeriele agenda kunnen uitoefenen is een illusie. Ook Plasterk heeft net als de burger namelijk maar een beperkt mandaat: het regeerakkoord waar hij zich aan heeft gecommitteerd. Zijn verzamelde feiten mogen met dit akkoord niet in conflict komen. Hij zal moeten selecteren en wat hij selecteert, daarop heeft de burger dan weer geen enkele invloed. Misschien een paar tienermoeders, maar de rest van het volk niet.

Nu de gewekte verwachtingen. Want die zullen hooggespannen zijn. Het kabinet zal aanstaande maandag bij het televisieprogramma 'Knevel & Van den Brink' in de Jaarbeurs in Utrecht, geheel in stijl, verantwoording over haar missie aan het volk afleggen. Niet in de Tweede Kamer, maar in een televisieprogramma.

Dat is op zich uniek. Het kabinet zet daarmee niet alleen de representatieve democratie op de helling, maar ook de Kamer buitenspel. Maar de show must go on: bewindspersonen zullen bij de presentators hun 'nieuwe flinksheid' tonen. Ze zullen, heel modern, 'doorpakken' en beloven hun invloed in te zetten om beloften ook in daden om te zetten. Alles, zullen ze beloven, zal anders worden. Maar ons staatsbestel is op zoveel individuele, ministeriele macht niet ingericht.

De invloed van de minister stuit namelijk op de complexiteit van de ambtelijke rationaliteit, op wetten en regels, maar ook op georganiseerde, maatschappelijke belangen. Al deze factoren zullen de dadendrang, efficientie en effectiviteit en uiteindelijk de invloed waar ministers in de televisiestudio op zullen bogen, temperen. De bestuurlijke werkelijkheid zal met de notitie die de tour de Holland moet opleveren aan de slag gaan, zo gezegd. Tegen die tegenwerking kunnen de ministers zich wapenen en het is niet verbazingwekkend als dat ook gebeurt.

Hoe? Door in algemeenheden te blijven. Door te stellen dat de waargenomen werkelijkheid overeenkomt met partijprogramma en regeerakkoord. Door concrete voorbeelden te noemen zonder daar politieke consequenties aan te verbinden. Enfin, door politiek te bedrijven. Wat ook kon zonder eerst honderd dagen het land in te trekken. Wat ook kon zonder bij groepen in de samenleving de verwachting te wekken dat 'alles nu echt anders zal worden'.

Een verwaterd mandaat en hooggespannen verwachtingen die niet zullen uitkomen. Het zijn de ingredienten voor toenemend politiek cynisme onder burgers en misschien wel juist onder de groep die met de bewindspersonen hebben gesproken. Was het juist de bedoeling om dat cynisme weg te nemen, de tour de Holland wakkert het juist aan. Want waarom komt een minister luisteren als er niets van terecht komt? Met andere woorden: waarom is de politiek niet in staat problemen op te lossen die ze zelf onderkennen?

Er is geen tour de Holland, maar een tour de force nodig om dat politiek cynisme weg te nemen. Misschien zou een eerlijke agenda een goede start zijn. Burger kiest voor partijprogramma, partijprogramma gaat als afgeleid mandaat in het regeerakkoord en bewindspersonen gaan hun kakkende best doen om dat uit te voeren.

In samenwerking met de Kamer en niet met Knevel & Van den Brink. Dat tienermoeders op het vmbo straks een steuntje in de rug krijgen, kan ik alleen maar toejuichen. Maar daarvoor had Plasterk niet honderd dagen het land in gehoeven.

zaterdag, mei 19, 2007

Over het algemeen praten we gewoon met elkaar . . . . . .


(met zeer gewaardeerde collega en mede bestuurder Klaas Wybo van der Hoek)

Wikipedia en Google belangrijkste bronnen student



Universiteitsstudenten doen in hun zoekttocht naar wetenschappelijke informatie in de eerste plaats beroep op de zoekmachine Google en de internetencyclopedie Wikipedia. Dat blijkt uit een onderzoek bij 500 Leuvense eerstejaarsstudenten. Maar "googelen" werkt plagiaat in de hand, zo klinkt het. "Bibliotheekbezoek is er nog zelden bij, ook niet virtueel", verklaarde Ellen Martens, wetenschappelijk medewerker van de Campusbibliotheek Arenberg in Heverlee. Martens stelde ook vast dat studenten vaak blindelings overnemen wat ze op het internet vinden, terwijl enige kritische zin toch op zijn plaats is. Om de studenten te leren hoe ze bijvoorbeeld de elektronische catalogi en databanken van de Leuvense universiteitsbibliotheek kunnen gebruiken om wetenschappelijk verantwoorde artikels op te sporen en te evalueren, is een online cursus ontwikkeld. Uit het onderzoek blijkt verder nog dat studenten geregeld onbewust plagiaat plegen. "Driekwart van hen vermeldt weliswaar een bron als ze teksten van een andere auteur letterlijk overnemen. Maar zodra ze die teksten gaan navertellen in hun eigen woorden daalt die bronvermelding naar 25 procent. Dat is niet altijd slechte wil. Het is vaak gewoon omdat ze nooit geleerd hebben wanneer ze precies een bron moeten vermelden", aldus Martens.

vrijdag, mei 18, 2007

Holiday break: Guess what. This is the game I played for many years and this is my favourite team (Ottawa Senators) going for Stanley!

Watch the movie: WhereWeFight.wmv.mov

donderdag, mei 17, 2007

Grrrrrrr. Dit kan toch niet waar zijn.

Als bestuurder doe je al het mogelijke om de organisatie goed te laten functioneren en vertrouw je erop dat er ook 'behoorlijk' en integer gewerkt wordt. Van dergelijke berichten schrik ik dan ook enorm. Door dergelijke zaken intern bespreekbaar te maken hoop ik dat dit bij onze organisatie niet gebeurd. . . . . .

Nei lektoraat op CHN

Eigen canon voor de leraar

De lerarenopleidingen bevinden zich in de transitie naar competentiegericht onderwijs. De bestaande eindtermen zijn ontoereikend, te knellend en te gedetailleerd en gebaseerd op een andere benadering. Bij competentiegericht opleiden staat het professioneel adequaat leren handelen van de aanstaande leraar centraal. Met de introductie van een nieuwe 'kennisbasis', een soort canon voor de leraar, wordt hier fundamenteel iets aan gedaan vanuit de lerarenopleidingen zelf.

Van groot belang is dat competentiegericht opleiden studenten en zij- instromers in toenemende mate de mogelijkheid biedt om via flexibel ingerichte curricula op basis van eerder verworven competenties een studieprogramma 'op maat' te volgen. De eindtermen kwamen tot stand vanuit de context van een vierjarige voltijdopleiding, waarbij de instroom hoofdzakelijk bestaat uit 17- 18jarigen en zij zijn daarmee niet toegesneden op de sterk toegenomen diversiteit aan studenten en opleidingsroutes in de lerarenopleidingen.
De noodzaak van die omslag wordt gevormd door veranderingen in de scholen (o.a. opleiden in de school), maatschappelijke ontwikkelingen (o.a. lerarentekort), ontwikkelingen in het beroep van leraar (o.a. meer functies in het onderwijs), onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen (ook in vmbo/bve competentiegericht werken) en veranderingen in de rol van de overheid (o.a. wet Beroepen in het onderwijs).

Met het begrip kennisbasis wordt verwezen naar het geheel van kennisvereisten waarover een startbekwame leraar moet beschikken. De kennisbasis in deze zin bevat naast kennisvereisten op het terrein van het schoolvak ook kennisvereisten met betrekking tot het pedagogisch-didactisch terrein. De kennisbasis zoals Fontys deze wil hanteren verbindt kennis van het schoolvak met kennis die vereist is om ook daadwerkelijk competent in kenmerkende situaties te kunnen handelen en die vereist is voor verdere ontwikkeling. Bekwaamheid op professioneel niveau impliceert dus dat de leraar beschikt over kennis van het vak (inclusief basiskennis van het schoolvak), van het leren en van de leerling. De kennisbasis is daarvoor het fundament.

De Kennisbasis is een overzicht van de kenniselementen die de lerarenopleidingen verplicht stellen. De Kennisbasis sluit aan bij de Beleidsagenda Lerarenopleidingen, waarin de kwaliteit van de opleidingen centraal staat. Met de presentatie van de Kennisbasis laten de lerarenopleidingen op drie punten zien dat zij kennis en kwaliteit van de lerarenopleidingen hoog in het vaandel hebben staan:

- Het leren op basis van competenties is een verrijking van de opleiding: het gaat om een geintegreerd aanbod van kennis, vaardigheden en motivatie (of beroepshouding)
- Kennis vormt een onmisbare basis van competenties: er is dus geen sprake van of het aanleren van kennis óf het aanleren van competenties, zoals sommige critici ons doen geloven: kennis en competenties gaan samen

De lerarenopleidingen presenteren per vak welke kennis aangeleerd moet worden, niet alleen op het gebied van het schoolvak, maar ook op het gebied van kennis van de leerling en kennis van leren en onderwijzen. De kennisbasis is ontwikkeld door ontwikkelteams van verschillende vakgroepen van de lerarenopleidingen. De komende tijd zal de Kennisbasis verder uitgewerkt worden. Ook zullen de lerarenopleidingen de Kennisbasis gebruiken om hun curriculum re evalueren en waar nodig aan te passen. Uiteindelijk zal de Kennisbasis gebruikt worden bij de accreditatie van de lerarenopleidingen door de NVAO.

De Kennisbasis is een project van de volgende lerarenopleidingen:

- Educatieve Hogeschool van Amsterdam
- Faculteit Educatie, Hogeschool Rotterdam
- Lerarenopleidingen Fontys Tilburg
- Lerarenopleidingen Fontys Sittard
- Faculteit Educatie, Hogeschool Arnhem en Nijmegen
- Lerarenopleidingen, Chr. Hogeschool Driestar, Gouda
- Faculteit Educatie, Instituut Archimedes, Hogeschool Utrecht
- School of Education, Chr. Hogeschool Windesheim, Zwolle
- School of Education, Hogeschool Inholland, Amsterdam
- Instituut Educatie en Communicatie, Noordelijke Hogeschool Leeuwarden

Stap vooruit bij differentiatie HO

Goed nieuws voor onze drie AD's en de verdere ontwikkeling van het Hoger Onderwijs.

De Tweede Kamer heeft ingestemd met de wettelijke verankering van de associate degree, tweejarige hbo-programma's in de bacheloropleiding. De introductie van zulke programma's levert een bijdrage aan grotere differentiatie in het HO, iets dat de OESO- review ook zeer bepleit.

Een Ad- programma bestaat uit onderdelen van een hbo-bacheloropleiding en omvat minimaal 120 studiepunten.
De vraag van de arbeidsmarkt naar Ad-programma's is voor de hogescholen maatgevend bij het ontwikkelen van de verkorte programma's. Daarmee kunnen deze programma's additioneel bijdragen aan het verhogen van het aantal hoger opgeleiden en kan het voor studenten een eerste stap zijn naar de bachelorgraad die (direct aansluitend of) in een later stadium voor hen dan mogelijk wordt.

In september 2006 zijn de eerste pilots met Ad-programma's van start gegaan. Omdat enkele studenten op basis van werkervaring bij de start vrijstellingen kregen voor hun programma, is de kans groot dat aan het eind van dit studiejaar de eerste diploma's reeds zullen kunnen worden uitgereikt.

woensdag, mei 16, 2007

OESO: weinig verscheidenheid, veel klein beleid

Het Nederlands hoger onderwijs mag er wezen, maar er ontbreekt wel wat aan een vruchtbare verscheidenheid. Ook moet het beleid zich veel meer inzetten om de kansen en doorstroom van allochtone jongeren naar en in het HO aanzienlijk te vergroten. Met hoofdlijnen als deze geeft de OESO een flinke hoeveelheid huiswerk aan minister Plasterk en de HO-sector in haar rapport over het tertiair onderwijs in ons land.


Wat betreft het onderzoek is de rol van de lectoren nog onvoldoende uitgekristalliseerd en de sturing daarvan ten behoeve van de bijdrage aan het hbo zelf kan beter. Het beleid van OCW valt op door het benutten en configureren van vele en vaak nieuwe kleine beleidsinstrumenten en initiatiefjes, zulks op gespannen voet met de lijn van autonomievergroting en kwaliteitssturing, zo analysert de OESO.

In zijn reactie blijft de minister terughoudend. Ten aanzien van de allochtonen jongeren valt op dat hij een verwijzing naar de inspanning om de 50 % Lissabondoelstelling te bereiken adequaat acht. Op het terrein van de differentiatie is OCW zeer voorzichtig. De minister voelt bijvoorbeeld weinig voor een "super league" in R&D en HO in ons land en ook bij meer marktconforme aspecten in bekostiging en retributies verwijst hij naar de nog onzekere uitkomsten van de experimenten op dat gebied.

De differentiatie binnen het onderzoek bij wo en hbo behoudt nadruk en haar huidige aard, terwijl de kritische kanttekeningen bij de ontwikkeling van het lectoraat vooral een gevolg lijken van een weinig pakkende verdediging terzake vanuit de instellingen.

Ook ziet Plasterk risico's in de aanbevelingen van de OESO te komen tot een open bestel. "Onderwijs is geen onbeperkte markt, en studenten gedragen zich niet als consumenten die shoppen voor de hoogste kwaliteit". Wel zegt de minister toe een commissie in te stellen die voor- en nadelen van een open bestel in kaart moet brengen.

In de herfst komt Plasterk met een nieuw beleidsinstrument, zo kondigt hij aan. Er komt en lange termijn agenda voor HO en R&D beleid. Deze vervangt dan het Wetenschapsbudget en het HOOP. De minister belooft de OESO dat hij zich de kritiek op de vele kleine instrumentaties voor zijn beleid ter harte zal nemen en daarmee rekening wil houden bij de invulling van die agenda als nieuw beleidsinstrumentarium.
(ScienceGuide)

Kwaliteitsimpuls 2006 afgerond.


Ons grote verbeterprogramma Kwaliteitsimpuls 2006 is afgerond. Met de resultaten investeren we geweldig in ons onderwijs: nieuwe software, betere procedures, meer synergie, meer efficiency, beleidsnotities, handboeken, nota-s, hardware! Dank aan allen die een bijdrage hebben geleverd: dat waren vele tientallen collega's! Voor de scheidende voorzitter van de Stuurgroep Kwaliteitsimpuls, Jan Osinga, een speciaal woord van dank en waardering. En de opvolger, Jan Wijbenga: veel succes!

Van de Stuurgroep:

Het verbeterprogramma Kwaliteitsimpuls (KI) 2006

Afronding KI2006
Op 14 mei 2007 is Kwaliteitsimpuls 2006 officieel afgerond. De pilots en implementaties van de producten gaan gewoon door. Ze zullen alleen niet meer formeel onder de paraplu van KI2006 vallen. Het ondernemingsplan/strategisch plan gaat als 'los' project door en wordt in juli 2007 vastgesteld.

KI2006
Na een moeilijke periode van bezuinigen, heeft het College van Bestuur begin 2006 besloten structureel te investeren in de kwaliteit van het onderwijs dat de CHN verzorgt. Aanleiding was een onderzoek in 2005, dat verbeterpunten opleverde. Deze zullen worden aangepakt met een hogeschoolbreed verbeterprogramma: Kwaliteitsimpuls 2006 (KI2006). Dit programma bestaat uit 8 projecten, die samen dik 40 producten opgeleverd hebben.

Kwaliteit leveren en effectief werken
Het doel van KI2006 is het bevorderen van de onderlinge samenwerking, het verhogen van de kwaliteit van ons onderwijs en accreditatiewaardig zijn. Bovendien moeten de producten vanaf 2007 het werk van alle CHN-collega's gemakkelijker maken.
Goedkeuren en gebruiken
De dik 40 producten zijn opgeleverd, getest en beoordeeld. Deskundigen, bijvoorbeeld een docent of moduulcoordinator hebben de producten getest. Daarna volgde een eventuele correctieronde en goedkeuring. Een aantal producten hoefden niet te worden getest. Deze zijn meteen beoordeeld door het College van Bestuur. Op dit moment worden de volgende producten al in de praktijk gebruikt (pilot):
- Handboek onderwijsorganisatie
- Nota Planning & Control
- Plagiaatsoftware
- Netquestionnaires
- Business Intelligence (kengetallen)

dinsdag, mei 15, 2007

Minister Plasterk bij de CHN

Een compilatie van foto's, uitspraken en speeches:






*

Een uitdaging terug: Ik zal "aan Haagse Harry moeten".

*
Toespraak Robert Veenstra tijdens de bijeenkomst met Plasterk van 14 mei 2007

Geachte aanwezigen bij deze bijzondere bijeenkomst op de Christelijke Hogeschool Nederland.
In bijzonder wil ik minister Plasterk welkom heten. En uiteraard burgemeester Dales en de vertegenwoordigers, laat ik zeggen, voorvechters en representanten van de Friese taal.

Zij zijn hier aanwezig in verband met het eerste gedeelte van deze bijeenkomst waarin de minister een toespraak in de Friese taal zal gaan houden.
Een taal waar Friesland trots op is en welke als een van de dragers wordt gezien van de Friese cultuur. U heeft hier ooit eens een uitlating over gedaan geloof ik.
Het 2e gedeelte van uw aanwezigheid staat in het teken van de inmiddels welbekende 100 dagen van het nieuwe kabinet. Een periode waarin u met representanten van de hogescholen en universiteiten een strategische agenda tot stand wilt brengen.
In uw toespraak tijdens het HBO-jaarcongres noemde u een aantal inhoudelijke onderwerpen voor deze agenda.
Onderwerpen die mij na aan het hart liggen.
Kijkend naar onze eigen organisatie aangaande deze onderwerpen zal ik een korte schets geven van de CHN.
Met zekere trots kan ik zeggen dat de CHN zich kenmerkt als een innoverende en regionaal, nationaal en internationaal ondernemende Hogeschool. Wij streven ernaar een Hogeschool te zijn waar iedereen zich welkom en thuis voelt. Onze 530 medewerkers en 7.000 studenten vertegenwoordigen gezamenlijk circa 60 verschillende nationaliteiten en culturen. Wie deed ons dit in 1585 in Franeker ook al voor?

Door het creeren van een internationale leeromgeving bereiden we onze studenten voor op de realiteit van een internationale en interculturele werkomgeving, zowel in Nederland als in het buitenland.
Via ons Grand Tour programma krijgen studenten van alle opleidingen de gelegenheid, onderdelen van hun studie op vestigingen van onze Hogeschool elders in de wereld te volgen en vice versa. Op dit moment hebben wij een CHN University in Qatar, Zuid-Afrika en Thailand en in 2008 hopen we onze eerste studenten te verwelkomen op onze vestiging in China.

Wij vinden het belangrijk dat de opleidingen die wij verzorgen aansluiten bij de beroepspraktijk. Zelfstandig leren volgens het Probleem Gestuurd Onderwijs-concept, het uitvoeren van onderzoeksopdrachten, het verzorgen van bedrijfspresentaties, stages en het bieden van de mogelijkheid om praktijkervaring op te doen in onze unieke leerbedrijven zijn dan ook sleutelelementen in het curriculum van onze studenten.

Onze ervaring is dat het PGO-concept, onze cultuur en onze leerbedrijven de studenten een grotere betrokkenheid geven bij hun opleiding en bij onze CHN. Noem het een CHN community waarin iedereen elkaar simuleert het beste uit zichzelf en de ander te halen.
Daarmee hebben we een goed instrument tegen studie uitval en de algemeen geformuleerde Hoger Onderwijs doelstellingen. Ook de ambitieuze studie opvatting van onze buitenlandse studenten stimuleert tegelijkertijd een ambitieus CHN studieklimaat. U moet namelijk weten dat wij beslist niet van de Hollandse 6- cultuur zijn.

Ons meest recente en tegelijkertijd ook veel besproken initiatief is Universiteit Fryslan. CHN ambieert al enkele jaren zowel bachelor- als masteropleidingen aan te bieden. Reeds vele jaren verzorgen wij vier in Nederland en het buitenland geaccrediteerde en internationaal georiënteerde masters. Nog niet bekostigd overigens maar daartoe heeft u nu, tot onze grote vreugde, de deuren geopend.
Tevens bieden wij onderdak aan zeven lectoren en hun kenniskringen.
Wij bevorderen daarmee zoveel mogelijk de doorstroming van bachelor naar master en stimuleren zodoende de noodzakelijk geachte verdere kennisontwikkeling van studenten en docenten in een maximaal doorlopende leerlijn. Dat doen we trouwens ook naar de onderkant van de onderwijsketen.
Door een stevig fundament te leggen onder Universiteit Fryslan loopt de CHN alvast vooruit op de mogelijke invoering van de nieuwe Wet op het Hoger Onderwijs en Onderzoek (WHOO).

Daarnaast hebben we nog een primeur voor u. Wij hebben met collega Salverda van de Fryske Academie afgesproken een voorstel te ontwikkelen voor een nieuw gemeenschappelijk lectoraat: "Fries en meertaligheid in een gemondialiseerde samenleving". Wij zijn trots op dit gezamenlijke initiatief.
U kunt zich voorstellen dat juist de CHN als meest internationale Hogeschool zo’n plan kan helpen bedenken. We kennen door ons internationale karakter namelijk alleen maar meerderheden van minderheden in zowel talen als culturen.
Bovendien laten we ons inspireren door onderzoek van de Fryske Academie waaruit blijkt dat kinderen van basisscholen het beter doen, waar er drie talen worden aangeboden (naast het Nederlands ook Fries en Engels).
Ook daarmee kunnen we helpen, de vermeende, achterstanden te bestrijden. Wij hopen dat de de Provincie Fryslan en u dit plan financieel ook een zetje in de rug kunnen geven.

Tot slot, maar wat mij betreft wel het belangrijkste, de kwaliteit van het onderwijs. Een streven dat ook bij ons op nummer 1 staat. Goed gekwalificeerd en gedreven personeel, gemotiveerde studenten, voldoende contacturen en de docent weer zoveel mogelijk met onderwijs bezig te laten zijn, staan hoog op onze agenda. Als voorschot op het debat tussen u en de studenten en medewerkers van straks zou ik graag deze uitdaging als gespreksthema willen aanbevelen.
Ter ondersteuning van eerder genoemde wil ik aangeven dat wij hierin onze verantwoordelijkheden nemen. Wij hebben inmiddels een situatie bereikt waarin we in onze ‘niet onderwijs’ activiteiten geld verdienen wat we weer inzetten voor de versterking van onze kerntaken onderwijs en onderzoek.
Ik hoop dat het debat met onze studenten en medewerkers u de gezichtspunten zal opleveren waarmee we het Hoger Onderwijs nog beter kunnen maken dan het al is.
Bovenal hoop ik dat wij samen met u in staat zullen zijn de trots weer terug te brengen in het Hoger Onderwijs. Trots om in deze sector te mogen werken en trots om aan de prima opleidingen die worden aangeboden te studeren.
Aan deze trotse Hogeschool zal het niet liggen.
Voor nu wens ik u veel succes met uw toespraak in de Friese taal en hoop ik van ganser harte dat het sprookje gaat uitkomen.

*
Het Friesch Dagblad meldt:

Plasterk maakt het weer goed

Dreech, vond minister Plasterk van Onderwijs het. Gistermiddag hield hij voor studenten van de Christelijke Hogeschool Nederland in Leeuwarden een toespraak in het Fries, de taal die hij in 2000 als columnist van het tv-programma Buitenhof nog belachelijk maakte. Ik heb in tijden niet meer zo hard hoeven studeren voor een toespraak.
Plasterk had de Friese rede laten opstellen door een gepromoveerde Frisiste van het ministerie, en toen bleek dat hij na twee keer oefenen nog altijd meer Zuid-Afrikaans dan Fries klonk, liet hij een bandje inspreken om de uitspraak goed te kunnen oefenen.
De minister nam het goedmakertje voor zijn harde woorden van destijds dan ook serieus. Daar werd hij door de zaal van harte bij ondersteund, want na zijn eerste zin in het Fries klonk een daverend applaus. Dat in het vervolg hier en daar wat gegrinnikt werd om zijn uitspraak, bracht de minister niet van zijn stuk.
In de toespraak vroeg Plasterk de zaal om de vier erkende talen in het Koninkrijk der Nederlanden op te noemen. Na Nederlands en Fries kwam het Papiamento er ook vlot uit, maar dat de vierde taal het Engels was (de voertaal op St. Maarten), wist lang niet iedereen.
Aan het slot kwam hij nog even terug op de column waarmee het allemaal begonnen was, en waarin hij de bijzondere status van het Fries tussen andere talen als het Nedersaksisch en het Limburgs had gehekeld als een sprookje.
Dat ik de Fryske taal in waarm hert tadraach, en dat ik as minister de belangen derfan behertigje sil, docht u-nder mear bliken u-t it feit dat ik myn uterste b-est dien ha om jimme hjir yn it Frysk ta te sprekken. Net hielendal s-under aksint, bin ik bang, mar dat nimme jimme my grif net kwea of, aldus Plasterk.

Haachsk
Nadat hij zo ruimhartig over de brug was gekomen, vond hij het tijd dat de Friezen andersom ook hun goede wil zouden tonen. As jimme in kear yn De Haach te gast binne, daach ik jimme u-t om my d-er ta te sprekken yn it Haachsk, de taal der-t ik yn grutbrocht bin. As stadsdialekt folle leger op de linguistyske prestiizjeljedder, mar d-erom net minder ynteressant - en wis net minder dreech.
Na afloop van de ruim tien minuten durende speech liet de minister zich nog een plaagstootje ontvallen. Overigens houd ik mijn punt staande dat over het verschil tussen het Fries en het Limburgs overdreven wordt gedaan. Spijt van zijn column destijds heeft hij niet. Een beetje pesten moet ook kunnen.

*
Omrop Fryslan


*
De Leeuwarder Courant meldt:

Manhaftig noemde Ronald Plasterk het Fries ooit in een column heel gewoon Nederlands, fonetisch opgeschreven en met wat dialectuitspraak. Daarmee oogstte hij kritiek, toen hij werd benoemd tot minister van onderwijs. Even manhaftig bediende hij zich maandag in een toespraak van de tweede rijkstaal. Nu oogstte hij applaus.

Waarschuwende woorden had burgemeester Geert Dales van Leeuwarden vooraf voor Ronald Plasterk. Zeker toen de onderwijsminister in tv-programma Het Buitenhof het Fries nog eens had afgeschilderd als een mank taaltsje, was deze kleine provincie echt te klein geweest. Dales- collega Johanneke Liemburg van Littenseradiel zou hebben gedreigd de minister te bek-ugeljen mei ljipaaien, zei de burgemeester vandaag in geef Frysk, leard by de Af-uk - tegen Plasterk bij zijn bezoek aan de Christelijke Hogeschool Nederland (CHN) in Leeuwarden.

Maar de minister had werk gemaakt van zijn Friese toespraak, waarmee hij zijn respect wilde tonen voor de taal en cultuur van Friesland. Hard heeft hij geoefend, zei hij achteraf. Zijn toespraak was twee weken geleden vertaald door medewerkster Liefke Reitsma. Zijn eerste pogingen werden door zijn vrouw vooral herkend als een poging tot Zuid-Afrikaans. Toen had hij de speech maar op een bandje laten inspreken, om op de uitspraak te kunnen oefenen.

Het resultaat klonk soms erg Duits, maar daar was Plasterk al lang blij mee: De mensen waren erg vriendelijk.'

*
Opinie: dialect uit Buitenhof
Ronald Plasterk
De Belgische Brabanconne ging gisterenavond in drie talen, Nederland is officieel tweetalig. Vorige week las ik in de krant over het HAVO eindexamen Fries. Een scholiere vertelde dat ze had getwijfeld of ze biologie als examenvak wilde doen, of Fries, en het was dat laatste geworden, want dat sprak ze toch al. Is het niet gek dat scholieren in Drenthe of Limburg of Den Haag, waar ik zelf vandaan kom, niet een serieus vak mogen laten vallen om wat door te pieteren in hun streekdialect, en in Friesland wel?

Foei, hoor ik ze brommen in Friesland, Fries is geen dialect! Ze krabben wat in hun ringbaardjes, smoren hun pijpkes, en kijken heel gewichtig: Fries, dat weet iedereen is meer verwant met het Noors en Deens dan met het Nederlands, een heel aparte taal!

Iedereen die wel eens geprobeerd heeft een stukje Fries te lezen weet dat dat feitelijk niet waar is. Ik kreeg onlangs een tijdschrift van de officiele Fryske Akademie van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Het periodiek heet "ut de smidte", uit de smidse. Als u nu net had gedacht: goh, wat flauw dat hij die Friezen meteen weer asocieert met ringbaardjes en pijpjes: dat doen ze dus zelf. Op de voorpagina staat een stukje Fries, en dat zal ik u voorlezen. Dan moet u denken aan het advies dat voorin staat in een Haags stripverhaal dat ik graag lees: Haagse Harry. "Les ein, hachtop leize!"

Daar gaan we. Foto erbij, van Durk Hibma, die de etalaazjepriis van de etalaazjewedstriid uitrijkt. Ringbaard, ziet u. Ik lees voor: "De boekwinkel van de Friese Academie heeft dit jaar de etalagewedstrijd van de Friese Boekenweek gewonnen." Er staat letterlijk: "De boekwinkel van de Fryske Akademy hat dit jier de etalaazjewedstrijd fan de Fryske Boekenwike wun. De wedstriid wurdt alle jieren utskreaun troch Stichting It Fryske Boek. Fan de sechstjin dielnimmende boekhannels foldie de Akademy it best oan it wichtigste kritearium van de sjuery: oandacht for de Fryske Boekenwike."

Kortom: heel gewoon Nederlands, fonetisch opgeschreven, en met wat dialect uitspraak zoals die in heel Oost en Noord Nederland bestaat (bijvoorbeeld vaak een ie voor een ij). Dan heb je nog wat leenwoorden uit andere talen, die alle kinderen van vijf jaar in heel Nederland fout spellen, zoals het moeilijke Franse woord etalage, dat spellen ze dan etalaazje, maar dan gaan ze naar school en leren dat die spelling fout is, en in Friesland leren ze dat het Fries is. Ik heb geen tijd om veel voor te lezen, maar geloof me het gaat zo door. "De underskeiding, dat betekent onderscheiding, bestiet ut in wikselprijs (wisselprijs) en in sjek (s-j-e-k) van 250 gune (da's gulden). Als je Haags fonetisch opschrijft, en de meeste gemaakte taalfouten (hij heb, hij ken) in regels vastlegt, dan heb je precies zo'n taal als het Fries."

Waarom lijkt iedereen in Holland dan te geloven dat Fries een aparte taal is, terwijl er in Amsterdam meer mensen zijn die Turks spreken dan in Leeuwarden die Fries spreken? Zou dat latent racisme zijn? We vinden het toch wel spannend dat we binnen onze landsgrenzen een Nordisch volk hebben, meer verwant met de Vikingen dan met de Brabanders (die je altijd ongestraft belachelijk mag maken). Koketteren met Fries is dus populair. Ik heb er niet tegen het Fries, als iedereen maar snapt dat het als taal net zo'n sprookje is als de Efteling in het Brabantse Kaatsheuvel.

*
Weblog Professor Martin Gertler (directeur CHN/School of Graduate Studies)

Prof. Dr. Ronald Plasterk ist Wissenschaftsminister der Niederlande, und das erst seit knapp 100 Tagen. Am heutigen 14. Mai machte er seinen Antrittsbesuch bei der CHN in Leeuwarden. Mehrere hundert Mitarbeiter und Studenten nutzten die Gelegenheit zu einer überraschend offenen Diskussion mit dem Wissenschaftler, der nun als Politiker für vier Jahre die Entwicklungen der Hochschulen des Landes steuern wird.

Zunächst begrüßte der Vorstandsvorsitzende der Hochschule, Robert Veenstra (Bild links), den Gast aus Den Haag und die vielen Teilnehmer der Veranstaltung im großen Auditorium.

Mit einer sehr verbindlichen und motivierenden Ansprache würdigte er die Bedeutung des ministeriellen Besuchs und hielt dem Gast vor Augen, wie sich die CHN mit ihren mehr als 7.000 Studenten und 600 Mitarbeitern für eine ständige Optimierung der Lehre und des Outcome bei den Studierenden engagiert.

Auch konnte er einen neuen Forschungslehrstuhl – Lectoraat – für die CHN ankündigen, den die Fryske Akademy einrichten wird. Prof. Dr. Reinier Salverda, Leiter dieser Forschungseinrichtung aus Leeuwarden, die an verschiedenen Universitäten Professuren unterhält und Mitglied der Königlich-Niederländischen Akademie der Wissenschaften ist, wird dazu in den nächsten Monaten gemeinsam mit mir den Aufgaben- und Forschungsplan für dieses Lectoraat entwickeln.

Bürgermeister Dr. Geert Dales (Bild rechts) pries mit launigen Worten den Hochschulstandort Leeuwarden. Immerhin sind hier an den 3 Fachhochschulen insgesamt ca. 20.000 Studenten eingeschrieben. Seine Ansprache wurde immer wieder von Applaus unterbrochen – ich konnte ihr leider nicht richtig folgen, denn Dr. Dales sprach natürlich auf Friesisch. Au weia! Nicht nur mein Englisch braucht Nachhilfe, nun werde ich auch noch Friesisch lernen müssen…

Auch Minister Plasterk hielt dann eine Ansprache auf Friesisch – und als ich nach zehn Minuten bereits sehr viel verstand, wusste ich: auch diese Sprache ist zu schaffen! Eigens für diese Begegnung hatte er die Sprache lernen müssen. Die örtliche Zeitung berichtet voller Hochachtung darüber (»Plasterk: ›Dat aksint nimme jim my grif net kwea ôf‹«), und auch die Leserkommentare würdigen das Engagement des Ministers.



Unter Ausschluss der Journalisten stellte sich Minister Plasterk (im Bild rechts) dann der Diskussion mit den Studenten und Dozenten der CHN, die ihn immer wieder festnagelten mit der Forderung, sich zu den Ambitionen der Fachhochschule CHN, eine wissenschaftliche Universität ins Leben zu rufen, zu positionieren.

Plasterk tat dies auf eine konstruktive Weise, indem er deutlich machte, dass Universitäten heutzutage nicht regional begründeten Bedürfnissen folgend entstehen sollten, weil Wissenschaft längst – und eben viel mehr noch als die Arbeit der berufsfeldorientierten Fachhochschulen – auf Internationalität angewiesen ist. Relevante Forschung ist internationale Forschung – daher gilt: Universitäten müssen international sein.

Mehrfach legten die Anwesenden nach. So bemängelte eine Studentin des begehrten Bachelorprogramms »Media & Entertainment Management«, dass es für diesen Studiengang und seine beiden Parallelangebote in den Niederlanden nicht einmal einen Master gebe, geschweige denn eine Möglichkeit, sich auf diesem Gebiet wissenschaftlich forschend in Form einer Dissertation zu qualifizieren. »Warum, Herr Minister, müssen wir denn dafür alle ins Ausland gehen?!?«

Auch ein Dozent des Bachelorstudiengangs »Hospitality Management« – die CHN unterhält die größte Hotelfachhochschule Europas mit mehr als 2.000 Studierenden und eigenem Lehrbetrieb, dem Hotel Wyswert **** – kritisierte, dass es bislang zwar neben dem Bachelorprogramm ein Masterstudium, aber eben keine Top-Qualifizierungsmöglichkeit durch ein Promotionsstudium an der CHN geben könne. »Wir müssen sehr bald auch eine wissenschaftliche Universität werden, das geht gar nicht mehr anders«, so der Tenor der Statements zum dominierenden Thema der Diskussion mit dem Minister.

Prof. Dr. Plasterk registrierte, das war an seinen Augen abzulesen, sehr genau die Ambitionen, die von Seiten der CHN-Studenten und -Dozenten auf ihn einstürmten. Ich bin mir sicher, dass er diesen eindeutigen und vielfachen Ruf nicht überhört hat: Es wird höchste Zeit für eine international ausgerichtete und agierende Universität, die in Friesland die vorhandenen Schwerpunkte hochschulischer Lehre auf Universitätsniveau akademisch erweitert, ergänzt und vertieft.

Associate Degree


Deze week buigt de Tweede Kamer zich over de Associate degree, tweejarige hbo-opleidingen. Minister Plasterk van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft de Tweede Kamer een aantal wetsvoorstellen voorgelegd die voor het hoger onderwijs urgente zaken wettelijk regelt. Een van de onderwerpen die aan de orde komt is de wettelijke verankering van de Associate degree.

De hogescholen zijn voorstander van een grotere differentiatie van het onderwijsaanbod in het hbo. De introductie van de Associate degree-programma-s kan hieraan een bijdrage leveren. Een Ad-programma bestaat uit onderdelen van een bacheloropleiding en omvat minimaal 120 studiepunten. De vraag van de arbeidsmarkt naar Ad-programma-s is leidend in het ontwikkelen van de verkorte programma-s. Naast dit civiel effect kunnen de Ad-programma-s bijdragen aan het verhogen van het aantal hoger opgeleiden in Nederland. Bovendien kan het voor studenten een eerste stap zijn naar de bachelorgraad die (direct aansluitend of) in een later stadium wordt vervolgd.

In september 2006 zijn de eerste pilots met Ad-programma-s van start gegaan. Omdat er enkele studenten zijn die op basis van werkervaring een aantal vrijstellingen heeft verkregen voor het Ad-programma is de kans reëel dat aan het eind van dit studiejaar reeds de eerste Ad-diploma-s kunnen worden uitgereikt. Dit kan alleen als er een wettelijke basis is voor deze graad. Om die reden is het noodzakelijk dat een spoedige opname van de Ad in de wet plaatsvindt. De HBO-raad ondersteunt dan ook de opname van de Ad-graad in de Whw zoals voorgesteld door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Bron: HBO Raad.

zondag, mei 13, 2007

14 mei, Ronald Plasterk bij de CHN


Met gepaste trots en veel enthousisme kunnen we nu bekend maken dat de Minister van OC&W op 14 mei een bezoek zal brengen aan de CHN.
Wij hopen op een open dialoog tussen de minister en alle stakeholders in het Hoger Onderwijs/CHN en natuurlijk een speech in het Fries.


Telegraaf

zaterdag, mei 12, 2007

Studenten doen onderzoek naar commerciele activiteiten van de CHN

De studentendelegatie van de Hogeschoolraad heeft onder studenten een onderzoek gedaan naar de nut en noodzaak van commerciele activiteiten binnen de CHN.
Een prachtig rapport van hoge kwaliteit met een grote representativiteit.
De uitkomst is dat onze commerciele activiteiten met een grote meerderheid ondersteund worden zolang er maar een connectie met het onderwijs is. Dit is goed nieuws en ook volledig in lijn met de beleid van de Hogeschool.

(Hier neem ik het onderzoeksrapport in ontvangst)

Amsterdam claimt geld hbo-masters


Het voornemen van minister Plasterk om hbo-masteropleidingen publiek te bekostigen, verheugt de hogescholen. Paul Doop van het CvB van de UvA/HvA komt dan ook met een claim op die middelen: "Nu het nieuwe kabinet zich bereid toont om meer te investeren, moeten wij in staat zijn daarvan profijt te trekken.

Immers, in Amsterdam beschikken we, met twee universiteiten en onze hogeschool, over een keur aan financieel-economische opleidingen. In die sector kan de HES zich nader profileren door professionele bachelor- en masteropleidingen aan te bieden. We hebben al een aantal geaccrediteerde masters en die willen we optimaal benutten".

Na een loopbaan bij OCW en het bedrijfsleven is Paul Doop collegelid geworden van UvA/HvA. "Het afgelopen jaar heb ik besloten om naar de publieke sector terug te keren. Die overgang was voor mij niet zo groot, aangezien mijn klanten - ook in mijn periode bij Deloitte - overheidsinstellingen waren. Bij de UvA en HvA zijn mijn aandachtsgebieden financien, huisvesting, ict en erfgoed, want de universiteit bezit alleen al vijftien musea. Ik beschouw het als een voorrecht dit werk te mogen doen. Amsterdam is een dynamische stad met een kosmopolitische uitstraling. Daardoor trekken wij veel buitenlandse studenten aan. Het behoort tot mijn taak onze instellingen nog een stapje verder te brengen. Ik vind het belangrijk om het huis op orde te hebben en dat zo te houden. Onze studenten vragen van ons professioneel onderwijs, maar ook faciliteiten die eigentijds en goed onderhouden zijn. Studenten hebben hoge verwachtingen van ons; wij willen die in Amsterdam graag overtreffen".

Lees ook onderstaand interview met Paul Doop uit de HESPRIT

Nieuwe ronde Britse collegeldverhoging

Britse universiteiten willen hun collegegelden verhogen van max. £3000 naar £7000 en 2012 zelfs £10.000, oftewel zo'n €10.500 en €15.000. De invoering door Blair van zogeheten 'top up fees' leidde vorig jaar tot een kleine daling van de instroom, maar de aanmeldingen voor 2007-2008 blijken een aanzienijk inhaaleffect te vertonen. Opvallend genoeg is dat met name gunstig voor de bèta en 'hbo' gerichte opleidingen, omdat aspirantstudenten daar later hogere inkomens blijken te verwachten.

De kunstzinnige studierichtingen stijgen niet. Sterke stijger Exeter laat daarentegen een groei van 58 % zien bij de levenswetenschappen, terwijl topinstellingen als LSE en Oxford zo'n 7,5 tot 8 % groei vertonen. De sociale mobliteit lijkt niet te lijden onder de sterke verhoging, want na een jaar van enige terughoudendhoeid blijken studenten uit de middenklasse weer versterkt naar de Britse universiteiten te gaan.Het was juist dit laatste aspect dat het verzet ter linkerzijde én bij de Conservatieven tegen Blairs plannen voedde. Verwacht wordt dat Tory- leider Cameron bij zijn plannen voor een conservatief kabinet op dit punt dan ook naar de lijn- Blair zal opschuiven.
(ScienceGuide)

Staatssecretaris Heemskerk bezoekt CHN University Qatar

Afgelopen week reisde een Nederlandse Handelsdelegatie onder leiding van staatssecretaris van Economische Zaken Frank Heemskerk, door de Golf-regio. Tijdens een bezoek aan Qatar werd ook CHN University Qatar aangedaan. De staatssecretaris toonde zich tegen tegenover dean Diederik Krom, de studenten en docenten, zeer geinteresseerd in de succesvolle Qatarees-Nederlandse onderwijsorganisatie. Inmiddels volgen er aan CHN University Qatar meer dan 300 studenten hoger onderwijs in Tourism en Hospitality Management. Komend jaar zal tevens worden gestart met de opleiding International Business Management Studies. De studenten zijn zowel afkomstig uit Qatar, als uit (naastgelegen) landen in het Midden-Oosten, Azie, Afrika, Europa en de US. Naast hoger onderwijs, worden door het CHN Institute diverse management-trainingsprogramma's verzorgd voor nationale en internationale bedrijven en instellingen. Dat CHN University Qatar inmiddels een stevig profiel heeft opgebouwd in de regio, wordt nog eens onderstreept door het bezoek van de staatssecretaris en de ruime aandacht die eraan werd besteed door de Qatarese pers!

Functiewaardering toont gebrek aan ambitie


Het systeem van hbo-functiewaardering deugt niet, want lesgeven wordt daarin ondergewaardeerd, zo klinkt vaak de kritiek. De Aob wil daarom dat "de hogescholen een eind maken aan de downgrading", zo schrijf bestuurder Gerrit Stemerding op ScienceGuide. "Functiewaarderen is soms een beetje meten met elastiek. Maar ik betwijfel of het systeem het grootste probleem is."


Een fatsoenlijke beloning wordt pas mogelijk als je het lesgeven opgeeft en managementtaken opneemt. Samengevat is dat de kern van veel kritiek op het systeem. Een deel van deze kritiek is misschien terecht, zo schrijft Stemerding. "Functiewaarderen is soms een beetje meten met elastiek. Maar ik betwijfel of het systeem het grootste probleem is. Het is de hogeschool die bepaalt welke medewerkers er aangenomen worden en wat hun taken zijn. Het systeem is goeddeels onpartijdig. Het systeem "turft" slechts de kerntaken van de functie.

Het klopt dat het systeem niet verbiedt om "schrale" docentfuncties te maken. Maar het systeem verbiedt evenmin om professionele docentfuncties te maken met verantwoordelijkheid voor onderwijsontwikkeling en contact met het beroepenveld. Een functie met onderwijsinhoudelijke taken op schaal 12-niveau of hoger is prima mogelijk. Het voorbeeld staat gewoon in de cao. Maar helaas zijn uitgeklede docentfuncties op een veel lager niveau ook mogelijk. De keuze is aan de hogeschool. En die kiezen steeds vaker voor de lagere docentfuncties op niveau 10.

De eindevaluatie van de invoering van functiewaarderen moet nog geschreven worden, maar ook zonder onderzoek zijn de gevolgen onmiskenbaar. Kennelijk is het motto van de hogescholen "mag het een onsje minder zijn". Een vergelijking van oude functiebeschrijvingen met beschrijvingen die tegenwoordig worden gebruikt laat zien dat alle ambitie is weggesijpeld.

Stond vroeger het ontwikkelen van onderwijs nog centraal, nu is de teneur het uitvoeren van reeds ontwikkelde taken. Actieve motiverende functiebeschrijvingen zijn vervangen door zinnen als: "voorbereiden en uitvoeren van toegewezen, reeds ontwikkelde onderwijsonderdelen." In plaats van minimaal van een docent te verlangen dat hij: "naar eigen inzicht en ervaring bestaande benaderingswijzen en instrumenten op zodanige wijze hanteert dat deze optimaal aansluiten bij de mogelijkheden en leerdoelen van de lerende.' is het nu voldoende dat hij: "participeert in uitvoering van onderwijsevaluaties en –ontwikkeling." De powerpoint ligt klaar, gaat uw gang.

In de formatieplannen stijgt het aandeel lagere docentfuncties. Het huidige personeel behoudt het oude salaris wanneer hun (nieuwe) functie lager gewaardeerd wordt. Nieuw personeel komt als regel in de lagere functies. Ik benadruk nogmaals dat dit het gebrek aan ambitie is van de hogescholen. Niets weerhoudt de hogescholen ervan een vacature die is ontstaan door een vertrekkende collega op te vullen met opnieuw een schaal 12-functie. Helaas gebeurt dat niet. Blijmoedig wordt de besparing geincasseerd.

Het komt mij voor als een zeer gevaarlijke strategie voor de toekomst. Zijn lagere functies werkelijk ons antwoord op de komende tekorten aan hoger opgeleiden en de noodzaak in te kunnen spelen op een snel veranderend beroepenveld? Het antwoord kan geen ja zijn.

Ik roep de hogescholen dan ook op om een einde te maken aan de downgrading. Tekorten in het HBO los je niet op met mooie mission statements maar met uitdagende brede docent functies en een hoogwaardig formatieplan. Zolang hogescholen menen academisch geschoold personeel met ervaring in dienst te kunnen nemen op een tijdelijk contract in schaal 9 zal de personeelsvoorziening en de kwaliteit van het HBO zorgelijk blijven."
(ScienceGuide)

Proefvisitatie Media en Entertainment Management


Er wordt door de medewerkers van de opleiding Media en Entertainment hard gewerkt aan de voorbereidingen op de visitatie van onze opleiding Media en Entertainment.
Succes leden van de Raad van Advies (werkveldcommissie), studenten en collega's met de laatste loodjes!

Medewerkersdiner IO VIVAT

De studentenvereniging van de CHN IHM (Hoge Hotelschool) heeft een mooie traditie met het medewerkersdiner: een keer per jaar worden de medewerkers daarvoor uitgenodigd op de studentensoos 't Heertje.



Laatste personeelsdialoog over het nieuwe Strategisch Plan

We hebben alweer onze laatste personeelsdialoog gehad over het Strategisch Plan en OndernemingsPlan. Dit keer in Emmen. Jelma, Aafke en dean Wim-Jan vergezelden ons uit Leeuwarden.
Het was een vruchtbare avond met goede doorkijkjes naar mogelijkheden en kansen. Het was weer leuk en goed om op onze locatie in Emmen te zijn met de collega's uit Emmen en Groningen!
De komende tijd zullen we de dialoog met overige stakeholders aangaan teneinde ook deze inzichten te verwerken in onze toekomst plannen.



Internationalisering is van de hele CHN!

Internationalisering is een thema dat binnen de CHN van oudsher het meest leeft binnen de economische disciplines. Dat is in zekere zin logisch: vakgebieden als hospitality management, tourism managemt en international business management zijn van zichzelf al verbonden met studeren en werken binnen een internationale context.

Toch is internationalisering niet voorbehouden aan de economische disciplines. Sterker nog: ontwikkelingen in de sociaal agogische vakgebieden en ook in het primair en secundair onderwijs worden steeds meer internationaal gestuurd. Begrippen als interculturalisatie, humanitarian assistance, vertaling van spiritualiteit en diversiteit doen meer en meer hun intrede bij opleidingen als Creatieve Therapie, Sociaal Pedagogische Hulpverlening en de Lerarenopleidingen. (Wat te denken trouwens van de wereldwijd sterke groei van internationale scholen?)

Hanny van Geffen, sinds enkele maanden als Dean verontwoordelijk voor onze opleidingen Creatieve Therapie (CT) en Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH) onderkent deze ontwikkelingen vanaf haar eerste dag bij de CHN. In haar startnotitie "Wie bindt die wint" geeft ze aan dat aandacht voor internationalisering bij beide opleidingen, onvermijdelijk is en een centrale rol zal spelen in de professionele agenda voor de komende jaren. Deze week hebben we met het management van beide opleidingen en de CHN marketingafdeling bijelkaar gezeten en besproken op welke wijze we hieraan handen en voeten kunnen geven. Veel ideeen en doelen zijn al besproken en uitgewisseld. Nu het vervolg: in overleg met alle medewerkers en studenten van de opleidingen uitwerken en doen. Een eerste start is gemaakt met een samenwerkingsoverenkomst tussen SPH en de Fachoberschule BleibergQuelle in Velbert, Duitsland!

dinsdag, mei 08, 2007

Board Meeting CRUC China

Last weekend, Theo Hooghiemstra (director International Affairs) and I visited China in order to attend a meeting of the Supervisory Board of CHN Royalton University China (CRUC). We had the honour to welcome mr Yan Yude as a new member of our board. Mr. Yan is the chairman of the executive board of Chengdu Institute Sichuan International Studies University (CISISU). This institute is managed by Sichuan International Studies University (SISU) and is funded by the Derui Enterprise Development Company. SISU is a university in Sichuan, authorized to confer Bachelor and Master of Arts Degrees, delivering higer education programmes for about 7.000 students and employing over 300 teachers.

Having Mr Yan 'on board' and enjoying all his experience in developing organizations for higher education, both in China and abroad, means a huge quality impulse for our CRUC project. We are really looking forward to cooperate with mr. Yan!

vrijdag, mei 04, 2007

Loes Raamsteeboers wint balonvaartprijs opendag



. . . . . en nu maar hopen dat je ook bij ons komt studeren Loes!

Labels:

OCW wil 'quick wins' bij lerarentekort

Nog in de huidige kabinetsperiode dreigt door vergrijzing een fors tekort aan leraren. Nieuw, goed gekwalificeerd personeel moet gevonden worden terwijl de arbeidsmarkt aantrekt. De Commissie Leraren onder leiding van Alexander Rinnooy Kan moet zowel voor de langere termijn van dit vak maatregelen ontwerpen als "quick wins" voor de korte termijn. Lid van de commissie wordt onder meer professor Van der Wende, de voorzitter van de redactieraad van ScienceGuide.


OCW schrijft aan de Kamer over deze commissie: "Schaalvergroting en autonomievergroting van de afgelopen jaren hebben geleid tot de verschuiving van taken van de rijksoverheid naar schoolbesturen. Besturen en schooldirecteuren hebben zich hieraan moeten aanpassen, met als gevolg nieuwe taken in de school op het terrein van beleid en beheer. Deze nieuwe bestuurlijke verhoudingen lijken ook consequenties te hebben gehad voor de leraar.

Tevens wordt er in toenemende mate door de samenleving en de politiek van het onderwijs gevraagd een rol te spelen bij maatschappelijke en pedagogische taken. Binnen deze context is de aandacht van leraren verdeeld geraakt over vele prioriteiten. Dit heeft consequenties voor takenpakket en vakinhoud van de leraar en de ervaren werkdruk door de leraar. Tegelijkertijd behoort het tot de professionaliteit van leraren om te kunnen inspelen op actuele vragen en hun vak bij te houden. De balans tussen kerntaken en het inspelen op vragen uit de samenleving, en de rol van de leraar hierbij is waar het om draait.

Op dit moment is de arbeidsmarkt voor leraren in evenwicht. De afgelopen jaren zijn verschillende maatregelen genomen en is veel onderzoek uitgevoerd. De maatregelen en onderzoeken hebben echter nog onvoldoende geleid tot een voldoende gevoel van urgentie over het dreigende lerarentekort en tot noodzakelijke aanpassingen van het (personeels)beleid van scholen. De Commissie Leraren wordt gevraagd, mede op basis van het reeds beschikbare materiaal, te komen tot een rapport waarin zij de regering, met het oog op de huidige en toekomstige ontwikkelingen in de verschillende onderwijssectoren, de maatschappij en het beleid adviseert over drie centrale vragen:

1. Welke aanpak acht de Commissie voor de (middel)lange termijn het meest kansrijk om
- het aanbod van leraren (en ander onderwijspersoneel) te vergroten en de kwaliteit van leraren te versterken,

- het onderwijs zo te organiseren dat vraag en aanbod beter op elkaar aansluiten en werkdruk wordt verminderd,

- het beroep aantrekkelijker te maken voor zittend en nieuw personeel,

- te komen tot een volwaardige professionele verantwoordelijkheid en rol van de leraar binnen de onderwijsinstelling?

2. Welke (combinatie van) maatregelen kunnen op korte termijn al resultaat hebben (quick wins)?

3. Welke procesaanpak en implementatiestrategieen acht de Commissie het meest effectief?

Bij de beantwoording van deze vragen trekt de Commissie lering uit het verleden. De nadruk ligt echter op oplossingen voor de toekomst. De Commissie Leraren bestrijkt het hele onderwijsveld van Primair Onderwijs tot Hoger Onderwijs. In de tekst van het regeerakkoord staat een groot aantal onderwerpen specifiek benoemd. De Commissie wordt gevraagd bij de beantwoording van de centrale vragen deze onderwerpen in samenhang te betrekken.

De Commissie wordt verzocht in haar advies in te gaan op de gewenste prioritering van maatregelen, verantwoordelijkheid- en taakverdeling tussen betrokken partijen (w.o. overheden, besturen, managers, leraren, ondersteuners en externe deskundigen), draagvlak voor maatregelen en verwachte effectiviteit van implementatiemethoden. Ten aanzien van de eerste centrale vraag wordt de Commissie nadrukkelijk gevraagd concrete scenario's te verkennen, die leiden tot de noodzakelijke beweging naar meer professionele arbeidsorganisaties in het onderwijsveld.

Een van de scenario's waarvoor een verdere uitwerking wordt gevraagd voor met name de VO-sector is gebaseerd op het principe van "verdiend vertrouwen". Dit is vertrouwen dat door de school samen met de leraar wordt verdiend door het leveren van goede kwaliteit en prestaties. De basis voor dit scenario is een prestatieafspraak tussen de schoolleiding en het team (of maatschap) van leraren over de te leveren prestaties en kwaliteit, de inzet van middelen en de (team) beloning van de leraar. Het realiseren van de reeds geleverde afgesproken prestaties en kwaliteit kan leiden tot hogere bekostiging door de rijksoverheid (prestatiebeloning op schoolniveau) en/of meer regelvrijheid."

Voorzitter

De heer dr. Alexander Rinnooy Kan
Kroonlid en voorzitter van de Nederlandse Sociaal-Economische Raad

Commissieleden

Mevrouw drs. Andree van Es
Voorzitter GGZ Nederland. In 1993 Voorzitter van de Commissie Toekomst Leraarschap

De heer prof. dr. Marc Vermeulen
Directeur IVA, Universiteit Tilburg. Hoogleraar en expert op het gebied van personeelstekorten in de onderwijssector

Mevrouw prof. dr. Marijk van der Wende
Hoogleraar Comparative Higher Education Policy Studies aan de Universiteit Twente. Haar leeropdracht betreft de invloed van globalisering en van nieuwe technologie op het hoger onderwijs.

De heer prof. dr. Fons van Wieringen
Voorzitter van de Onderwijsraad en hoogleraar Onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam.

Mevrouw drs. Annet Kil- Albersen
Voorzitter Stichting Beroepskwaliteit Leraren en heeft jarenlang lesgegeven op een VMBO-school

De heer Harry Frantzen
Onderwijsdirecteur VMBO van het Minkema College(VMBO-VWO) in Woerden

Mevrouw Floor ter Wal
PO-docente, Delftse Montessorischool in Delft, lid van de Groene Golf

De heer Rudi Hoffman
VMBO- docent, Scholengemeenschap Lelystad in Lelystad, Leraar van het Jaar 2006

De heer Mustapha Daher
MBO-docent, TeC Amsterdam, technische onderwijsinstelling voor VMBO en MBO in Amsterdam

donderdag, mei 03, 2007

Rekenen op de minister?

In De Volkskrant verscheen een ingezonden brief van Doekle Terpstra, voorzitter HBO-raad, waarin hij minister Plasterk van OCW vraagt wat hij gaat doen aan het nijpende tekort aan hoger opgeleiden. En of de minister stevig gaat investeren in verborgen talent:







Kan talent op Plasterk rekenen?

De benoeming van wetenschapper Ronald Plasterk was een van de grootste verrassingen van de kabinetsformatie. Als minister van onderwijs heeft hij zelf het hoger onderwijs in portefeuille. De eerste 100 dagen van de kabinetsperiode zijn nog niet verstreken. Op dit moment is nog niet duidelijk welke weg hij in zal slaan. Maar de uitspraken die hij heeft gedaan, wijzen erop dat hij zal investeren in fundamenteel onderzoek. Ook krijgen de allerslimste studenten meer mogelijkheden om hun bijzondere talenten te ontplooien. In deze beide voornemens kan ik mij goed vinden. Maar met enige zorg stel ik vast dat de minister tot dusverre niets gezegd heeft over twee cruciale opdrachten van het hoger onderwijs. Beide onderwerpen liggen buiten het domein van de zuivere wetenschapsbeoefening waarmee hij zelf zo vertrouwd is. Wat gaat Plasterk doen aan het nijpende tekort aan hoger opgeleiden? En gaat hij stevig investeren in verborgen talent dat zich via het hoger onderwijs een weg omhoog knokt op de maatschappelijke ladder?
Nu het goed gaat met Nederlandse economie, trekt de werkgelegenheid snel aan. Zo snel zelfs, dat verschillende vacatures voor hoger opgeleiden niet meer vervuld kunnen worden. In 2010 blijven minstens 75.000 vacatures onvervuld. Gevolg is dat bedrijven hun heil in het buitenland zoeken en banen permanent uit Nederland verdwijnen. In andere sectoren, zoals het onderwijs en de gezondheidszorg, komt door personeelstekorten de kwaliteit onder druk te staan.

Met investeringen in een select gezelschap topstudenten kunnen we niet volstaan. De gemiddelde ondernemer heeft vooral behoefte aan beroepsbeoefenaren die een hoog kennisniveau verbinden aan praktische toepassingen. Slimme jonge mensen die goed begrijpen met welke omstandigheden het bedrijf te maken heeft en hoe het bedrijf (internationaal) concurrerend kan zijn. In andere sectoren spelen vergelijkbare processen. De complexe, meervoudige problematiek waar de jeugdzorg mee wordt geconfronteerd of de aanpak van probleemwijken die moeten worden omgetoverd in prachtwijken vragen om innovatieve en praktisch toepasbare inzichten.
De toename van het aantal hoger opgeleiden is vooral de taak van hogescholen. Immers, de universiteiten hebben weinig groeimogelijkheden want 90% van alle vwo-scholieren gaat daar al studeren. Hierbij moeten we ons realiseren dat de sociaal-economische achtergrond van hbo-studenten anders is dan die van de universiteitsstudenten. 42 procent van de hbo-studenten komt uit een gezin met een laag inkomen en 23% uit een gezin met een hoog inkomen. Bij de universiteiten is dat precies andersom.

Van hogescholen wordt verwacht dat zij in de komende jaren op drie fronten tegelijk resultaten boeken. Ten eerste moeten er veel meer studenten worden opgeleid dan ooit tevoren. Maar vrijwel alle jongeren die zonder noemenswaardige problemen hun weg vinden in het hoger onderwijs volgen al een opleiding. Hogescholen moeten dus op zoek gaan naar het verborgen talent dat minder aan de oppervlakte ligt en ervoor zorgen dat dit tot volle wasdom komt. Vaak gaat het om jonge mensen met ouders die zelf niet gestudeerd hebben en die niet welgesteld zijn. Deze jongeren behoren binnen hun familie vaak tot de eerste generatie die gaat studeren. In de grote steden gaat het daarbij om grote groepen allochtone jongeren. Zeker voor deze groepen is extra begeleiding en het actief volgen tijdens hun studieloopbaan belangrijk.

Ten tweede de kwaliteit. In onze kennissamenleving is innovatie belangrijk voor de concurrentiekracht van bedrijven en voor de kwaliteit en doelmatigheid van de dienstverlening van not-for-profit organisaties. De hedendaagse hoger opgeleide professional heeft een onderzoekende en vernieuwende instelling. Hij is in staat om zelfstandig nieuwe kennis te verwerven en nieuwe inzichten in de praktijk toe te passen. Dat kunnen hogescholen hem alleen bijbrengen als zij voldoende ruimte krijgen voor praktijkgericht onderzoek. Toch wordt vaak beweerd dat onderzoek is voorbehouden aan universiteiten en dat hogescholen zich moeten beperken tot het overdragen van bestaande kennis. Die bewering getuigt van weinig inzicht in de eisen die in de praktijk worden gesteld aan hedendaagse hoger opgeleiden.

Tenslotte moeten we ons realiseren dat er niet alleen meer hoger opgeleiden met een bachelorgraad moeten worden opgeleid, maar ook meer masterstudenten. Omdat de hogescholen - anders dan de universiteiten - nog maar weinig masteropleidingen kunnen aanbieden, neemt het kennistekort in ons land toe. Onlangs verkondigde minister Plasterk in de Staatscourant dat hij daarom de aansluiting tussen hbo-bacheloropleidingen en wetenschappelijke masteropleidingen wil verbeteren. Hij gaat daarmee voorbij aan het feit dat een overstap naar de wetenschap voor de meeste studenten die een hogere beroepsopleiding achter de rug hebben niet logisch is. In veel gevallen is de route van een hbo-bacheloropleiding naar een wetenschappelijke masteropleiding een verspilling van talent, tijd en geld. Het ligt meer voor hand om hbo-bachelors de kans te bieden om zich verder te professionaliseren in hun beroep. De arbeidsmarkt schreeuwt om beroepskrachten van het allerhoogste niveau. Minister Plasterk kan daar niet aan voorbij gaan en moet meer hbo-masteropleidingen in aanmerking laten komen voor overheidsfinanciering.

Bij evenwichtig hoger onderwijsbeleid hoort niet alleen aandacht voor het topje van de ijsberg, het fundamenteel onderzoek en de doorstroom van hbo-bachelors naar academische masters. Ik hoop dat minister Plasterk ook bereid zal zijn flink te investeren in de oplossing van nijpende problemen op de arbeidsmarkt en in goede hbo-opleidingen voor iedereen.

Doekle Terpstra
Voorzitter HBO-raad