maandag, april 30, 2007

Mild maar onwennig

Halverwege de '100 dagen' lijken eerste haarscheurtjes zichtbaar te worden in de verwachtingen van minister Plasterk. Onwennige, maar nog milde reacties klinken in het HO. Felle kritiek in de media van Doekle Terpstra (HBO-raad) op diens houding naar hogescholen vindt weerklank, zo blijkt bij een inventarisatie door ScienceGuide. VSNU- voorzitter Sijbolt Noorda reageert mild op "deze schoten voor de boeg".

Hij vindt dat een nieuwe minister "het voordeel van de twijfel gegeven moet worden," maar zegt dat Terpstra’s "visies parallel zijn aan de onze. Zoals wij veel nadruk leggen op het succes van studenten in de eerste fase van hun studie, het begin in de bacheloropleiding, zo doet hij dat ook. Het gaat immers niet alleen om het succesvolle toptalent, maar zeker ook om het studieresultaat van de brede middengroep van de studenten en om de jongeren die het nu juist niet lukt succes te behalen in hun studie aan de universiteit en hogeschool. Wat dat betreft is Doekle Terpstra’s visie dezelfde als de mijne."

Ook andere opinionleaders in de leiding van het HO zijn kritischer aan het worden over de benaderingswijze van Plasterk. Een PvdA-topper onder hen zei tegen ScienceGuide onder meer: "Deze minister weet veel over zijn vroegere onderzoeksterrein, maar heeft daardoor wel een erg beperkte scope. Zo vertelde hij onlangs aan vmbo/mbo docenten dat hij zelf ook les gegeven heeft en daarom weet wat er speelt. 'Oei', dacht ik, 'dat is gevaarlijk.' Want die mensen prikken daar echt wel doorheen. Die twee, drie studenten van hem in dat specialistische terrein, dat is toch werkelijk geen vergelijkingsbasis".

Ook in de Haagse politiek schrikt men af en toe van de benaderingswijze van Plasterk. Een partijgenoot uit de Eerste Kamer: "Dat Terpstra dit doet, snap ik wel. Het is een beetje de minister intimideren met forse kritiek, zodat hij dan denkt 'oppassen, ik doe het misschien niet goed’. Maar mijn vrees is dat Plasterk er zich ook door bevestigd kan gaan voelen, zoals Jo Ritzen dat destijds dacht. Dat is wel een risico, voor beide trouwens". Lof krijgt Plasterk ook, van de SP. Kamerlid Jasper van Dijk noemt hem “een prima minister, zoals hij bijvoorbeeld stelt dat selectie aan de poort niet werkt en een slecht idee is. Dat vinden wij ook, terwijl de PvdA de afgelopen jaren door Jacques Tichelaar een andere opvatting is gaan verkondigen. Dat Plasterk daar nu tegenin gaat: prima".

HBO-raad-voorzitter Doekle Terpstra gaf een milde draai aan zijn kritiek toen Plasterk hem verweet "gepiept te hebben nog voordat hij wellicht gevild wordt". Hij prees de minister dat hij oog bleek te willen hebben "voor het hart van onze agenda, zonder commitment op de uitkomsten". Hij wilde zich door die opstelling graag laten uitdagen, met een bijzonder accent op twee elementen van Plasterks antwoord op de kritiek: de bereidheid te overleggen over de bijzonder zware taken van het hbo in de grote steden en het aanleggen van analoge criteria voor masterbekostiging in hbo en wo. Dit noemde hij een positief signaal, al voegde Terpstra eraan toe: "Het is bepaald niet zo dat we er nu zijn".

Shell-topman Rein Willems had ook een boodschap voor de minister. Het scheidend lid van het Innovatieplatform pleitte voor "een verdere verfijning van de kwaliteit van de opleidingen in het hbo, door extra aandacht voor onderzoek en onderzoeksvaardigheden daarbinnen bijvoorbeeld. Er is in het HO door het voorgaande kabinet het nodige los gekomen en er zijn goede bewegingen in gang gezet. Op het terrein van het onderzoek in het hbo zijn al met al goede aanzetten gegeven in deze periode. Dit zou ook nu steun van de minister van OCW moeten krijgen".
ScienceGuide

Labels:

Universiteit van Friesland krijgt zijn eerste contouren . . . .

Hogeschooldocent gezocht (0.6 fte)

Het gaat erom de functie van teamleider van het Honours-programma binnen de nieuw op te richten Universiteit van Friesland uit te gaan voeren.

De teamleider/hogeschooldocent verzorgt in het nieuwe wetenschappelijk georiënteerde Honours-programma colleges, workshops en examinering op de vakgebieden wetenschapsfilosofie en onderzoeksmethodieken. Het begeleiden van studenten gedurende hun individuele onderzoeksprojecten speelt daarnaast een belangrijke rol.

Voorwaarden o. a.: gepromoveerd of reeds werkend aan een promotie-traject.

Taaleisen: Nederlands, Engels
Voertaal van de lessen: Engels
Uren per week: 22
Salarisschaal: 12
Salaris: 3.548 - 4.563 Euro bruto per maand (bij een volledige werkweek)

Sluitingsdatum: 7 mei 2007

Labels:

zondag, april 29, 2007

Samen is meer

Inspiratie voor groepswerk.



Deze documentaire is mede mogelijk gemaakt door:
Aansluitingsnetwerk VO-HO Fryslan, Greetje Feitsma

'Broodje Aap verhalen zijn wel signalen'

Minister Plasterk heeft zorg over signalen van de werkvloer. "In de Telegraaf stond een verhaal dat SPH-studenten in Rotterdam maar 3 uur per week les zouden krijgen", zo vertelde hij op het HBO-Jaarcongres tegen ScienceGuide. "Ik ben daar toen gaan kijken. Het verhaal bleek toch wel genuanceerder te zijn.

In de eerste plaats gaan die tweedejaarsstudenten drie dagen per week op stage in de praktijk en daarnaast krijgen ze 8 uur per week les. Het was een keer voorgekomen dat er een docent ziek was en de hogeschool die niet goed kon vervangen en dat daardoor die studenten een week maar 3 uur les kregen.

Het Telegraaf-verhaal klopte dus niet. Toch hoorde ik in het gesprek met de studenten allerlei interessante dingen. Studenten gaven aan dat ze zich niet voldoende uitgedaagd voelen. Die klachten komen dan vooral van zij-instromers uit het MBO: zij hebben zich in het MBO vaak het schompes gewerkt om het hoogste niveau te kunnen halen. Dan mogen ze na afsluiting van het MBO naar het tweede jaar naar het HBO en dan hebben ze daar opeens in hun beleving niets meer te doen. Nou ja, ze mogen dan op stage naar een peuterspeelzaal of zo.

Dat geldt natuurlijk niet voor iedereen: studenten Fysiotherapie en Accountancy zeiden juist: ik heb al zoveel les en huiswerk, maak het nu niet zwaarder. Toch kreeg ik de indruk dat er bij bepaalde opleidingen wel sprake was van achterstallig onderhoud. Natuurlijk heeft BON, de club van Ad Verbrugge, niet op alle punten gelijk. Gelukkig zijn ze nu trouwens al genuanceerder. Maar Broodje Aap verhalen zijn voor mij wel signalen".

In de benadering van dergelijke signalen wil de minister ook bewust een "andere richting" inslaan dan in de vorige periode. "Onder vorige bewindslieden werd het onderwijs vooral als een kennissupermarkt gezien, waarin je kunt rondshoppen. Bevalt het je niet in Nijmegen, dan ga je gewoon verder studeren in Groningen. Ik geloof daar niet in. Wij willen dat al het onderwijs goed is."

Tijdens zijn kennismakingsoverleg met de Tweede Kamer kondigde minister Plasterk aan dat HBO-masters in principe voor bekostiging in aanmerking komen. "De voordelen van HBO-masters zijn duidelijk: het leidt tot meer verdieping. Bovendien, als je wilt dat meer mensen hoger onderwijs gaan doen, dan moet je alles aangrijpen wat daarbij kan helpen. Dit helpt misschien wel". Over de criteria wil de minister nog overleg voeren met de HBO-raad. "Er moet wel vraag zijn naar die opleidingen. Ook moet het gaan om opleidingen die zonder publiek geld niet kunnen bestaan".

Nieuwe middelen van collega Bos heeft hij voor de nieuwe masteropleidingen nog niet gekregen, zo zei hij tegen ScienceGuide . "Ik vind dat ook niet zo nodig. Dat zien we dan wel weer. Die masteropleidingen zijn er trouwens ook nog helemaal niet. Ik vind ook: als je een mooi idee hebt, moet je gewoon beginnen. Het is toch jammer als dingen die mooi zijn niet kunnen. Form follows content. Ook is het zo dat een deel van de studenten die daarvoor belangstelling zouden hebben, nu nog een WO-master moeten doen. Dat is een kostbare omweg. Daar kan dus ook een deel van het geld vandaan komen. Het is bovendien voor getalenteerde hbo- studenten een goede zaak als zij straks een keuzemogelijkheid hebben: ga ik naar een hbo-master door met een praktijkoriëntatie of naar een wo-master met een meer academische onderzoeksgerichte benadering. Omgekeerd kan het ook voor mensen uit het wo een nuttige keuzemogelijkheid inhouden."

Enhancing the academic programs

Martin Gertler | 28. April 2007

Friday 27th of April was the 'Cooperation Day' at the CHN School of Graduate Studies in Leeuwarden. Vice-president of the CHN University Klaas-Wybo van der Hoek, the four program directors of the SGS - Elena Cavagnaro, Sjoerd Gehrels, Klaes Eringa and Albert Postma (he is at the same time coordinator of the programs) - and Martin worked together with our guests from the London Metropolitan University on our plans for some new academic Master programs.

Furthermore we had to develop strategies and to check the possibilities of validation to offer the Master programs at our international sites and, in cooperation with other partners, at other places as well.

Greetings from our guests to the SGS and her students



Bob Morgan is Head of Department of Business and Service Sector Management, London Metropolitan Business School. He visited Leeuwarden for the first time and said to be impressed by the social atmosphere and the learning facilities – the study landscape, the library and the PBL class rooms – of the CHN.


Tony Curson is Associate Head of Department of Business and Service Sector Management, London Metropolitan Business School. He is the related consultant and controller for the Master programs which are offered in cooperation between the SGS of CHN Leeuwarden and the London Metropolitan University.

Thank you, Bob and Tony, for your visit to Leeuwarden and so many ideas – in the next weeks we will work on the appointments we made!

Labels:

woensdag, april 25, 2007

Verkiezing Friese Onderneming van het jaar 2006



Een bijzonder event met een fantastische winnaar en cateraar (CHN/Wyswert)!







Friesch Dagblad woensdag, 25 april 2007, Economie

Vitalis ondernemer van het jaar 2006
Harlingen - Vitalis is Friese ondernemer van het jaar 2006 geworden. Dat bleek gisteren tijdens de finale van de verkiezing, aan boord van veerboord De Vlieland in de haven van Harlingen. De jury, met onder anderen gedeputeerde Bijman, prees Vitalis voor de ,,innovatieve kracht en de uitstekende prestaties”. Vitalis ontving als winnaar een zilveren sculptuur en 7500 euro, te besteden aan pr en communicatie.
Vitalis is leverancier van zorghulpmiddelen, zoals scootmobielen en rollators. Het bedrijf wil deze hulpmiddelen in de volle breedte leveren aan zowel zorgcentra als particulieren. De andere finalisten waren aardappelhandelshuis HZPC en ontwikkelaar van opbergsystemen Sonestom, beiden eveneens gevestigd in Drachten.
Volgens de jury die de voorselectie van de finalisten deed, hebben de drie bedrijven gemeen dat zij goed zijn in de marktbewerking en dat zij het maken van de producten aan anderen overlaten.
De winnaar van de Friese Duurzaamheidsprijs is betonproducent VBI Schuilenberg geworden, vanwege de opvallende aandacht voor mens en milieu bij dat bedrijf. De andere kandidaten waren Ciba Specialty Chemicals uit Heerenveen en Burggraaff Bouw uit Leeuwarden.

Labels:

dinsdag, april 24, 2007

Alles wat ook maar riekt naar schoolsheid willen we niet meer.

De Volkskrant meldt:

Basisonderwijs presteert ondermaats
Van onze verslaggever Gerard Reijn

MILLINGEN AAN DE RIJN - Het basisonderwijs faalt op bijna alle vakgebieden. Kinderen leren in vrijwel geen enkel vak wat ze volgens deskundigen zouden moeten leren. Dat blijkt uit een analyse van twintig jaar Periodieke Peilingen van het Onderwijsniveau, PPON.

De analyse is opgesteld door Paul van Dam, die tot vijf jaar geleden hoofd was van de afdeling basisonderwijs van Cito, de instantie die de PPON-onderzoeken uitvoert. Van Dam heeft alle 32 PPON-onderzoeken van de afgelopen twintig jaar nog eens op een rij gezet omdat het hem verontrustte dat die onderzoeken nooit tot een discussie over het niveau van het onderwijs leidden.

Voor dit soort onderzoeken wordt aan enkele duizenden kinderen van de basisschool een toets voorgelegd die door 75 procent van de kinderen voldoende moet kunnen worden gemaakt. Wordt die score niet gehaald, dan is er iets mis met het niveau van het onderwijs, en dat blijkt in vrijwel alle vakken het geval. Bij begrijpend lezen haalde slechts 50 procent van de leerlingen een voldoende. Studerend lezen: 50 procent. Luisteren: 50 procent. Grammatica en interpunctie: 50 procent. Stijl, zinsontleding, woordbenoeming en -begrip: tussen 30 en 35 procent.

Vorig jaar verscheen een PPON-rapport over rekenen, het enige dat stof deed opwaaien. Voor bewerkingen als optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen haalde minder dan 30 procent van de kinderen de norm, en dat was duidelijk slechter dan in het eerste PPON-rapport, uit 1986. Ook de kleinere vakken worden slecht beheerst. Kaartlezen: 34 procent. Topografie: 16 procent. De meeste tijdvakken van geschiedenis: tussen 34 en 58 procent. Bij muziek is het al even slecht. Zelfs bij het zingen haalde slechts 12 procent van de leerlingen een voldoende. Natuurkunde: 50 procent. Techniek: 34 procent.

Bij slechts enkele vakken vond Van Dam een voldoende prestatie, onder meer bij technisch lezen, handschriftontwikkeling en bij geschiedenis van de 20ste eeuw.

Frank van der Schoot, projectleider van PPON, bevestigt de feiten in grote lijnen. Maar hij wil niet de conclusie trekken dat het basisonderwijs slecht presteert. Het enige dat we kunnen zeggen, is dat de score niet beantwoordt aan de standaarden die door deze deskundigen zijn opgesteld.

Van Dam denkt te weten waarom het basisonderwijs op alle fronten achterblijft bij wat wenselijk is. Het onderwijs moet vooral leuk zijn. Natuurlijk worden leuke dingen gedaan en die zijn vaak ook erg nuttig, maar er moet ook heel vervelend worden herhaald, in de kop gestampt en getoetst. En dat gebeurt bijna nergens.

zaterdag, april 21, 2007

Strategische samenwerking CHN en Holland Casino


Dit is een origineel persbericht.

Hoofddorp, 16 april 2007 - De Christelijke Hogeschool Nederland (CHN) en Holland Casino
gaan een strategische samenwerking aan op het gebied van opleiding en de ontwikkeling van
Holland Casino medewerkers. Op vrijdag 13 april 2007 is hiervoor in het Holland Casino
Utrecht door beide organisaties een samenwerkingsovereenkomst ondertekend.

Sinds februari 2006 organiseren de Christelijke Hogeschool Nederland en de Holland Casino
Business School een speciale HBO-opleiding 'Leisuremanagement'. Overwogen wordt om aan
dit programma op termijn nog een zogeheten mastersopleiding 'Leisuremanagement' toe te
voegen. De nieuwe 'Leisuremanagement'-opleiding neemt de plaats in van een meer algemene
HBO-opleiding die met name was toegespitst op commerciele economie. Om
kruisbestuiving te bewerkstelligen tussen verschillende soorten organisaties staat de
opleiding open zowel voor medewerkers van Holland Casino als voor werknemers van andere
organisaties in de vrijetijdsindustrie.

De CHN is zeer content met de samenwerking. Robert Veenstra, voorzitter College van
Bestuur CHN: 'Door samen te werken met een grote en professionele partij uit de
Nederlandse vrijetijdsindustrie krijgt de nieuwe bacheloropleiding een vliegende start.
Medewerkers in de vrijetijdsindustrie krijgen hiermee de mogelijkheid door te groeien in
hun eigen branche.' Hiermee is een wens van de CHN in vervulling gegaan om naast de
voltijdse dagopleiding Vrijetijdsmanagement, die al bestaat sinds 1988, een duale variant
voor werkenden uit het werkveld van de vrijetijdsbranche te starten. 'Wij vinden het van
groot belang dat deze opleiding in de vorm van een partnership met het bedrijfsleven tot
stand komt, zodat we optimaal gebruik kunnen maken van elkaars kennis en ervaringen',
aldus Veenstra.

Henk Kivits, bestuursvoorzitter van Holland Casino, vindt dat de ondertekening van het
contract met de Christelijke Hogeschool Nederland een volgende stap is in de ontwikkeling
van de Holland Casino Business School. 'We hebben 7 jaar geleden besloten om meer
structureel reguliere opleidingen geschikt te laten maken voor onze mensen. Doordat de
opleiding ook open staat voor andere bedrijven in de vrijetijdindustrie, realiseren we
daarbij een optimale synergie. Het doel is uiteraard om nog meer waar te kunnen maken dat
wij een mooie gelegenheid zijn om uit te gaan.'

In de duale Hbo-opleiding 'Leisuremanagement' worden werken en leren gecombineerd. In
opleiding wordt gewerkt met action learning als onderwijsmodel, waardoor de student in
staat wordt gesteld om de theorie direct te koppelen aan de dagelijkse praktijk binnen
het bedrijf waar de student werkt.

Sinds september 2000 studeren medewerkers van Holland Casino aan de Holland Casino
Businessschool. Holland Casino heeft sinds die tijd een ontwikkeling in gang gezet
waarmee de organisatie wordt gekanteld van een hierarchische organisatie met veel
procedures naar een organisatie waarin de aandacht is gericht op eigen
verantwoordelijkheid en employability van medewerkers. In dit kader biedt de Holland
Casino Business School, in samenwerking met verschillende gespecialiseerde
onderwijsinstellingen, opleidingen aan medewerkers aan op MBO en HBO-niveau.

vrijdag, april 20, 2007

Opening ABN AMRO bankshop bij CHN Leeuwarden

Studenten kritisch over Plasterk

Hbo-studenten moeten studiefinanciering kunnen ontvangen wanneer ze een schakelprogramma naar een masters bij een universiteit volgen. ISO-voorzitter Sebastiaan den Bak noemt het "belachelijk dat hbo-studenten met wetenschappelijke ambities geen aanspraak kunnen maken op studiefinanciering." Zijn organisatie krijgt veel klachten van studenten in deze omstandigheden. Vaak zien zij dan maar af van een schakelprogramma, omdat ze zowel meer collegegeld moeten betalen, als geen recht op studiefinanciering kennen.

In het inspectierapport 'BaMa stroomt door' wordt dan ook aanbevolen om zulke studenten recht op studiefinanciering te geven en de instelling daarvoor te bekostigen. Minister Plasterk meldde in een reactie op dit rapport dat hij hier niets in ziet. "Terwijl het kabinet een sterke kenniseconomie voor ogen heeft, houdt de minister de deur dicht voor doorstromers. Een onwenselijke situatie waar snel verandering in moet komen," stelt Den Bak.

De VSNU heeft bovendien in een nieuw factsheet de jongste cijfers over deze ontwikkeling bijengebracht. Uit het 'factsheet universitaire masteropleidingen' blijkt dat de doorstroming tussen universiteiten onderling goed op gang komt en steeds meer hbo-studenten voor een WO-master kiezen. Inmiddels is 25 % van de instroom komt uit het hbo. "De Nederlandse universiteiten voorzien hiermee dus in een brede maatschappelijke behoefte," concludeert voorzitter Sijbolt Noorda. "Wij ondersteunen daarom de suggestie van de Onderwijsinspectie het schakelprogramma tussen de hbo-bachelor en de wo- master te bekostigen van harte."

Omdat een groeiend aantal masterstudenten in het wo uit het buitenland komt, lukt het de universiteiten ook meer hun internationalisering een impuls te geven. "Wij zijn hier zeer tevreden mee. Onze masteropleidingen zijn in toenemende mate international classrooms met steeds meer studenten met een verschillende achtergrond."

Verwarring over nieuwe wet HO

De nieuwe bekostiging van het hoger onderwijs en de nieuwe wet die het regeerakkoord aankondigt zijn nog volstrekt onhelder. Minister Plasterk heeft een uitwerking van de medewerkers van zijn ministerie "in de prullenbak gemikt", verneemt ScienceGuide. Daarmee is de verwarring over het aanstaande HO-beleid verder toegenomen, aangezien de minister vervolgens aan deskundigen van buiten OCW om voorstellen voor een financieringssystematiek heeft gevraagd.

De experts op dit terrein bij de koepelorganisaties kregen van Plasterk echter verscheidene, niet volstrekt consistente aanwijzingen en randvoorwaarden mee voor de ontwikkeling van een alternatieve opzet. Bij het nadere checken van de informatie en denklijnen ten departemente ontstond veel bestuurlijke ruis. Deze ontwikkeling brengt in de ambtelijke organisatie van OCW grote onrust en verwarring te weeg over de inhoud en oogmerken van de voorziene wetgeving.

Na de 'hbo-fraude' is namelijk intussen bijna 7 jaar gepasseerd, waarin achtereenvolgende bewindslieden met gedachten en voorstellen kwamen om een effectiver en minder bureacratisch bekostigingssysteem voor het HO in te voeren, dat tevens rekening houdt met de lessen uit die 'hbo-fraude' en het werk van de commisssie-Schutte. Geen van die aanzetten tot beter beleid zijn feitelijk gerealiseerd. Dat geldt ook voor de door Plasterk inmiddels ingetrokken opzet met de leerrechten van staatssecretaris Rutte.

ScienceGuide

Gezond!



Wij overleggen regelmatig en systematisch met Annette Notebomer en Otto Visser van ArboNed over de gezondheid van de CHN-medewerkers. Het zijn verhelderende en inspirerende gesprekken. Wij vinden het bevorderen van gezondheid, het voorkomen en tegengaan van ziekteverzuim en het beheersen van werkdruk een topprioriteit voor een werkgever die aantrekkelijk wil worden en blijven. Al deze aandacht werpt haar vruchten af: bij de leidinggevenden staat de gezondheid van hun medewerkers hoog op de agenda. En een vitale indicator: het ziekteverzuimpercentage is in 2006 duidelijk gedaald, terwijl er wel grote veranderingen in de organisatie hebben plaatsgevonden. Een groot compliment aan alle collega's, onze afdeling HRM(met als belangrijke vertegenwoordiger Erik Laban op de foto), Annette en Otto.

De Dag van De Secretaressen.

Steun en toeverlaat, bewakers en redders van de agenda, het cement en de olie! Veel dank voor het vele werk!





Een deel van de groep heeft op Secretaressendag in de Demokeuken van Wyswert aan teambuilding gedaan; het andere deel van de groep heeft portrettekenen beoefend.

zondag, april 15, 2007

CHN Studenten winnen finale "Lekker Leeuwarden"




In de mooie ambiance van het Eden Oranje hotel heeft woensdag de finale van "Lekker Leeuwarden" plaatsgevonden. Een doorslaand succes! De studenten Leisure Management, van wie het product genomineerd was voor de bokaal werden in staat gesteld, aan de hand van een presentatie de jury van hun product en het achterliggende concept te overtuigen.

Ook de studenten van alle niet genomineerde producten gaven achter in de zaal een korte presentatie, om zo mee te kunnnen dingen naar de eervolle vermeldingen "Lekkerste product", "Beste Naam", "Beste presentatie" en de "Publieksprijs".

Een deskundige jury heeft "De parel van Leeuwarden" tot overall winnaar uitgeroepen. De winnende studenten zijn: Sera Kingma, Lieke Overgoor, Heleen Knol, Annelore de Jong en Elisabeth van der Meij.

Gelet op het enthousiasme van de studenten, de waardevolle contacten met het werkveld en de belangstelling van de pers, kunnen we van een zeer geslaagd project spreken!

Labels:

zaterdag, april 14, 2007

De 'parel van Leeuwarden'

CHN studenten maken Leeuwarder specialiteit.

Fryslan krijgt toerisme- en waterprofiel

vrijdag, april 13, 2007

Graduation CHN South Africa (EISS)



ADDRESS BY DR. D. MOORE.

People who have toured Ireland by car will tell you many weird and wonderful tales. These frequently include anecdotes about asking directions in the rural areas. The local people help out willingly, with a smile and a long tale, telling tourists of landmarks such as cross-roads, pubs and churches to be found along the way with a refrain that goes something like this: When you get to O-Malley-s pub in Ballybeyond you will see a road turning off to the left and going up a steep hill with a castle at the top, that is not the way to go – carry straight on. After several such detailed warnings the tourist is finally told: Now that is the road to follow – two miles on and you will find Molly-s BenB where you have booked for the night.

In finding your way in a strange country, as in life, it is as important to know the roads that should not be followed, as it is to know the route that will bring you to your destination. In preparing for a career there is a direct route and many detours. It is worth noting the detour the EISS graduands before us today did not take. This detour was commented on in an article in the Business Times Careers Section on 1 April this year. The report noted:
University does not prepare SA-s youth for many of the challenges they face as they make the transition from college to career.
.. new graduates are handicapped by tertiary education that placed too little emphasis on practical learning and application.
Most organizations end up getting disillusioned with graduates because they do not know what they are doing

Although many students benefit from a more general form of university education, it often proves to be a roundabout way of launching a career in the real world of work. Degrees with a strong vocational focus represent the more direct route. The curriculum followed by medical students in traditional universities is an example of education and training that prepares students for a specific profession through the integration of theory and practice. For a number of years, a strong point of the South African education system was to be found in the technikons. These institutions followed curricula that attempted to integrate theory and practice in preparing students for the workplace. For a number of reasons, some justified, others manifestations of prejudice, the technikon three-year diplomas were considered to be inferior to the three-year university degrees, although employers frequently expressed a preference for technikon graduates.

During the 1990-s the Committee of Technikon Principals set-up a task team to develop new curricula to combine the academic depth of traditional degrees with the more practical approach of the technikon diploma. The result was a range of professionally focused degrees. Shortly after the completion of this exercise a number of technikons were amalgamated with universities to form a new type of institution called a comprehensive university; an example being the amalgamation of UNISA and Technikon SA into the new UNISA. Other technikons became universities of technology in their own right; thus we have institutions such as the Tshwane University of Technology or the Central University of Technology. These new institutions strengthen the idea of a direct route to a career through an educational experience based on the integration of theory and practice. They espouse the idea that a competent graduate is one that leaves university with the correct mixture of knowledge, skills and a professional attitude based on sound values.

These developments in South Africa were paralleled by similar thinking in a number of countries, including the Netherlands. In fact, in developing our new system much was borrowed and adapted from other countries. EISS represents the coming together of the best in higher education developments in the Netherlands as passed on through the CHN University, and in South Africa as derived from a wide acceptance of the idea of a professionally focused degree. It provides its students with a direct route to a career, while avoiding frustrating detours. Although the development and registration processes have been long-winded, like the directions of an Irish tour guide, EISS has reached its initial goal, as confirmed by today-s second graduation and the recent registration of the Institute.

When the South African task team was developing the new career-focused degrees during the 1990-s it became clear that employers had a new set of expectations of newly graduated employees. Graduates would need to come with a new set of skills to deal with flatter, leaner, and more flexible organizational structures. They would have to be prepared for:
A less clearly defined career path and promotional ladder.
Promotion based on performance rather than upon seniority.
A multi-cultural workplace demanding tact, sensitivity and adaptability to the views and needs of colleagues and clients, as well as a good dose of self-confidence,
Self-sufficiency in terms of secretarial and administrative skills and the use of information technology.
Ongoing expansion of the knowledge and skills base acquired at university.
Flexibility to move into different areas of the organization.
Increasing workloads and flexible working hours.

Measured against these requirements, EISS students molded in the best educational tradition of both the Netherlands and South Africa can move forward in their chosen field with confidence.

The EISS degree programme, with its emphasis on problem-based learning, equips its graduates to continually renew their knowledge and skills enabling them to adapt to changing situations. They have learnt how to learn, how to think, and how to adapt. This skill is an essential component of career success in the initial stages and in the long-term. More important than knowledge and skills, however, is the third component of competence – attitude and the values brought to the job. In a people-based industry client orientation is essential. Anyone who has encountered EISS students during their practical training can testify to their concern for their guests. However, there is a further dimension to the values of EISS students, and that is community-orientation. Port Alfred citizens who are active in the community themselves can bear witness to the contribution made by EISS students, both Dutch and South African, to the local community, particularity to benefit our less fortunate people. A respect for the rights and dignity of the individual, integrity in dealing with others, and sensitivity to the needs of the underprivileged, are some of the values reinforced in EISS graduates through the community service which is an integral part of their learning experience. In a world of glitz and conspicuous consumption, these values ensure level-headedness and fair dealing.

As a veteran educator and community leader, I congratulate EISS, its leaders and staff, on the evidence of its success that we see at today's graduation. I am sure that you will all join with me in congratulating the graduands on reaching an important milestone, the first in your careers; may you be aware of the wrong turns and avoid them, and may you realize the potential that you have as people in your own right and as graduates of this fine institution.

Dr Dermot Moore.


ADDRESS BY DR A GRESSE: SECOND GRADUATION CEREMONY OF EISS

One year ago we had our first graduation ceremony, a milestone of which we are very proud But in the 365 days since then, we have reached so many new milestones, that this graduation is again a historic occasion and marks another special achievement for us. Before the first graduation we laid the foundation of EISS International. During this last year, we could start building a strong educational institute.

Our biggest milestone this year was the fact that the Department of Education has, at last, granted us full registration. In this process our name has also changed from the EISS to EISS International. We would like to thank all the people who played a role in this process with a special thanks to Mr Gardiner, who played a key role and to Prof Mayatula who was actively involved. We are also grateful to the management and staff of CHN in the Netherlands. They could have given up due to the long process of registration and could have decided to close EISS down, but they have displayed the vision to see the quality of student studies at EISS and what a difference these students and the Grand Tour students can make to the development and economy of the community around us, the hospitality industry and the country and they have persevered in their support us.

We also do not want to forget our students and their parents who supported EISS, without hesitation, from the beginning, through the foundation stage of provisional registration and still now in the building stage.

Today some of these students get their degrees and again, as their substitute parents, we the staff of EISS International are proud of them and our congratulations to all of them and their parents.

Another milestone is that this is the first time that one of our students receive the BBA Degree in Hospitality Management of CHN University in Leeuwarden. Special congratulations to David Hutchinson.

These graduates are all part of the pioneers who helped to lay the foundation of EISS International and when I look at them, I see those specific characteristics that made them successful students in all of them, and that will make them the leaders in the hospitality industry in the future.

They are all curious, not afraid to ask questions and to try new things. We had quite a number of interesting episodes due to the experimental contributions of our students. And often, due to their curiosity, our education could become better and more efficient because they came up with new ideas!

These students are hard working. I am sure that there is not one parent here today who did not hear at least a dozen times how hard their children work. I can assure you that it is true; to study this truly international degree is a real challenge and cannot be done without hard work.

All students that graduate today are examples of team players who can also work as individuals. By now they are all masters of the problem based learning method, our main educational method. In the process of learning, we as staff could see how they grew into independent, creative adults who can use their knowledge and skills to manage any situation in which they found themselves, as part of a team, the leader of the team, or as an individual.

These students are all service oriented. None of them came to study hospitality to become rich or to be permanently on holiday, although they might sometimes work in a spot where most people around them are always on holiday. They came to study hospitality because they like to work with people, to assist people and to use their knowledge and skills to manage people and creative wonderful experiences for people. The interesting destinations with the wide open beaches and sun drenched days, like Port Alfred, are their bonuses and not primarily the reason for their career choice.

Every one of the students who received their degree today is dedicated. As part of the team in their new work places they will not mind if they have to work long hours, as long as the job is done well. They will put in that extra to make an event a success and they will not give up before they are satisfied that their product is a success.

I can also see all these characteristics in the staff that were instrumental in the success of the students. Today I would like to especially thank all staff members at EISS International for their contributions to in the success of our students. Without their guidance and motivation, we would not have any graduates today.

EISS International is now the only institute who offers the B Com in Hospitality Management in South Africa. We have enough proof from industry that this is a sought after degree. Before, we could not show parents examples of our graduates and how successful they are, but today we can tell you that our previous graduates are all in good management positions where they come highly recommended.

As staff of EISS International where therefore send you as graduates now out with the equipment to become successful leaders in the hospitality industry in the future. Each of you will always have a special place in our hearts and we shall eagerly follow your careers and be there if you want advice or if you would like to give advice. Therefore, please do not forget EISS International and be our ambassadors in your new career.

Thank you!

Annelie Gresse.

Labels:

maandag, april 09, 2007

CHN South Africa, better known as EISS, has received official full registration as an educational establishment as of March 7.


The Educational Institute for Service Studies (EISS), has received official full registration as an educational establishment as of March 7.

The South African Department of Education has confirmed this. The matter was dealt with at the highest circles of government.

It is to be expected that official registration will have more than one beneficial effect on further development of the Global Campus Site.

Management and staff of EISS and CHN fought for full registration for long. We see it as a reward for our perseverance, endurance and for continuing to offer higher education of high quality.

During a meeting last February, Mrs. Balindlela, Premier of the Eastern Cape, told us that by contributing to local society, CHN and EISS have become a true member of local society.

Congratulations to all the students and staff of EISS with reaching this important milestone for this wonderful institute!

The Raymond Mhlabe Auditorium

Together with Dixie Mhlabe (Mama Dixie) I unveiled a plaque of Raymond Mhlabe (Oom Ray) in our auditorium in South Africa. A great man was involved in establishing CHN South Africa (EISS) and was during the first years of our appearance in South Africa the Chairperson of our South African Supervisory Board.
Unfortunately Oom Ray passed away but we will allways remember his contribution to CHN.

vrijdag, april 06, 2007

B-bestemming Holland mist beeldmerk


"We hebben een paar jaar gediscussieerd over de vraag of hogescholen zich ook universiteit mogen noemen, maar dat debat heeft niets opgeleverd. We moeten daarmee stoppen". Dit zegt voorzitter Sander van den Eijnden tegen ScienceGuide als schot voor de boeg voor het jubileumcongres van de Nuffic.


"Het kan me niet schelen hoe een hogeschool zich in het buitenland noemt. Wat mij betreft mag de hogeschool Drenthe zich in het buitenland best als University of Drenthe presenteren. Namen van scholen zeggen niet zoveel, het gaat erom wat er achter de gevel gebeurt. De term 'university' wordt heel breed gebruikt, ook in het buitenland. En in Mexico kennen ze Drenthe heus niet. Het gaat dus om het verhaal dat je vertelt, niet om de vlag die je erop zet.

Dat verhaal moet herkenbaar zijn voor een buitenlandse student. Nederland heeft kwalitatief goed hoger onderwijs, maar het is wel een b- bestemming. Daar bedoel ik mee dat je niet direct aan Nederland denkt als je in het buitenland wilt gaan studeren. Doorgaans weten studenten in het buitenland heel weinig van het Nederlandse hoger onderwijs. Je moet daarom wel willen uitleggen wie je bent. Er wordt wel gezegd dat de wereld een global village is, maar dat is niet zo. De wereld is een global city, waarin je sommigen kent, en heel veel anderen ook niet.

Je moet je daarom in het buitenland niet profileren met Nederlandse eigen aardig heden. Dat leidt tot een rommelige, controversiele presentatie. Het is trouwens ook niet nodig het Nederlands hoger onderwijsstelsel te veranderen. Het Nederlandse hoger onderwijsstelsel valt prima uit te leggen en heeft ook allerlei aantrekkelijke aspecten. Maar je moet je verhaal aan buitenlandse studenten wel vertellen vanuit hun perspectief. De invoering van het bachelor- masterstelsel was daarom heel goed, evenals de invoering van een accreditatiestelsel. Die twee elementen hebben de herkenbaarheid in het buitenland enorm vergroot.

Rutte heeft twee jaar geleden in een brief het idee gelanceerd om voor Nederland een 'beeldmerk Holland' te introduceren. Dat was een goed idee. Wij hebben scenario’s laten ontwikkelen om duidelijk te krijgen wat dat beeldmerk zou moeten inhouden, en die scenario's vervolgens getoetst. Daaruit blijkt dat Nederland bekend staat als een internationale, open samenleving. Natuurlijk zijn berichten over de moord op Van Gogh en over Wilders in het buitenland wel bekend, maar dat doet niet totaal afbreuk aan dat beeld. En dat beeld kun je ook wel hard maken: we hebben bijvoorbeeld heel veel Engelstalig onderwijs, en onze ligging tussen Engeland, Frankrijk en Duitsland maakt dat we veel door het buitenland worden beinvloed, zonder dat we een heel uitgesproken 'Dutch model' hebben”.

donderdag, april 05, 2007

Het bindend doceeradvies



Eerstejaars die te weinig studiepunten halen krijgen een negatief bsa. Dan is het logisch om slechte docenten een negatief doceeradvies te geven, vindt studentenfractie Sam. Tegelijk moeten goede docenten beloond worden. "Het onderwijs moet in het zonlicht."

Stijn Dunk

"Er zijn colleges voor 150 man waarvan er na de pauze nog maar tien studenten over zijn. Omdat de docent heel saai lesgeeft." Sam-voorzitter Annelies Schellekens zegt het met een mengeling van ongeloof en verontwaardiging. Ongeloof dat zoiets op een universiteit als die van Tilburg nog regelmatig voorkomt, verontwaardiging dat er zo weinig aan gedaan wordt. Aan docenten die echt onder de maat presteren. Daarom presenteert studentenfractie Sam een nieuw medicijn: het bindend doceeradvies (bda). Het basisprincipe is hetzelfde als bij het bindend studieadvies (bsa) voor studenten: fouten krijgen snel consequenties.

Docenten die regelmatig slecht college geven, krijgen een bda opgelegd. In tegenstelling tot studenten met een negatief bsa worden ze niet direct weggestuurd. Sam wil dat deze docenten zich bijspijkeren, bijvoorbeeld via cursussen. Pas als ze zich aantoonbaar verbeterd hebben, mogen ze weer colleges geven. "Hun vorderingen worden bijgehouden", benadrukt Michiel Tilburgs van Sam. "Net als bij de toets Engelse taalvaardigheid. Totdat die voldoende is." Sam vindt dat dit nu te weinig gebeurt. Onderwijs geven heeft op de universiteit immers 'minder prestige' dan onderzoek doen.

Dit blijkt volgens de fractie uit de in haar ogen magere invulling die Tilburg geeft aan de basiskwalificatie onderwijs (bko). Dit basispakket didactische vaardigheden wordt op alle universiteiten vastgelegd en ingebed, maar de manier waarop verschilt sterk. "In Utrecht haalt een docent zijn bko pas na een traject van twee jaar, hier al na een cursusperiode van twee dagen", vergelijkt Schellekens. De Utrechtse docent maakt een portfolio van zijn competenties en wordt twee jaar persoonlijk begeleid door een tutor. "Dat zien wij hier ook graag", aldus Tilburgs.

De basis daarvoor ligt er al, benadrukken de studenten. Er bestaat een lijst met 29 competenties voor universitair docenten, variërend van vakinhoudelijke kennis tot didactische vaardigheden en communicatieve kwaliteiten. "Die lijst is prima, daar kan mee gewerkt worden", stelt Schellekens. Sam stelt voor deze competenties veel duidelijker op te nemen in de cursusevaluaties die studenten invullen. Zo kunnen studenten een oordeel geven over het niveau waarop een docent presenteert, enthousiasmeert, afspraken maakt of ICT gebruikt.

De studentevaluaties zijn voor Sam de belangrijkste basis voor het opleggen van een bindend doceeradvies. De fractie verwijst naar onderzoek waarin deze evaluaties het meest betrouwbare en toegankelijke meetinstrument genoemd worden. Op dit moment zijn de resultaten ervan onderdeel van het functioneringsgesprek met de docent. Maar in die gesprekken draait het vooral om onderzoeksprestaties, weet Sam. "Wij vinden dat de hoge ambities van de UvT ook moeten gelden voor het onderwijs", zegt Tilburgs.

"Het onderwijs moet in het zonlicht", vult Schellekens aan. Dat betekent ook dat goede docenten beloond moeten worden. Daarom koppelt Sam haar bda aan het voorstel om speciale carrièrepaden voor excellente docenten te creëren. Goed onderwijs loont dan vergelijkbaar met goed onderzoek. Op de Universiteit van Utrecht wordt op diverse faculteiten met dit systeem gewerkt. Een tweede flankerend voorstel is een actieve peer review voor docenten: docenten die elkaar volgen en coachen. Zoals in het tutorsysteem voor beginnende docenten in Utrecht.

Maar niet alleen de jonge garde, ook ervaren docenten hebben baat bij meer aandacht, beoordeling en begeleiding, vindt Sam. "Juist als je ergens al twintig jaar college over geeft, kunnen je voorbeelden gedateerd zijn of je presentatietechnieken achterhaald", legt Schellekens uit. "Dan is je vakinhoudelijke kennis misschien perfect, maar schiet je toch tekort als docent." En dat kan een topuniversiteit in wording zich niet veroorloven. "Topstudenten willen les van topdocenten, in elk geval niet van slechte." [SD]

Eerste academische master van hogeschool


De European Master of Science in Occupational Therapy van de Hogeschool van Amsterdam is erkend wo-masteropleiding. Deze niet bekostigde master is ontwikkeld door de opleiding Ergotherapie van de HvA in nauwe samenwerking met drie universiteiten met researchprogramma’s op dit gebied in Europa. Met name met de Medical University Karolinska Institutet (Zweden), University College South (Denemarken) en University of Brighton (Groot-Brittannië). Het is voor het eerst dat een hogeschool een door OCW formeel wo-master aanbiedt.


In november 2004 heeft de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie de opleiding al positief beoordeeld naar aanleiding van een zogeheten Toets nieuwe opleiding. Op 11 december 2006 is bij de IB-Groep het verzoek ingediend om de wo-master als onbekostigde opleiding op te nemen in het Centraal Register Opleidingen Hoger Onderwijs. Dit heeft onlangs onder CROHO-nummer 69312 plaatsgevonden.

Positieve beoordeling

Het panel dat de opleiding heeft beoordeeld, was positief over de kwaliteit van de opleiding: 'Alle ingredinten voor een Master of Science zijn aanwezig'. Het accreditatierapport vermeldde de kwaliteit van de medewerkers, de uitstekende manier waarop onderzoeksresultaten en methodes continu worden ingezet in de les en de specifieke begeleiding in onderzoek die aansluit op de eisen die aan wetenschappelijk onderwijs worden gesteld. 'Ook internationaal gezien zijn het studieprogramma en de resultaten zeker te vergelijken met andere Masters of Science in deze discipline', aldus het panel.

Het masterprogramma

Het grootste verschil met de hbo-opleiding Ergotherapie is dat de nadruk van de wo-master op onderzoeksvaardigheden ligt. Studenten uit verschillende Europese landen volgen per jaar vier modules. Tijdens iedere module bezoeken ze twee weken een stad in een van de vier meewerkende landen. Daar worden ze geïnspireerd om in een Europese cross-culturele context naar ergotherapeutische vraagstukken te kijken, door zelf onderzoeken te bedenken en uit te voeren. De studenten zijn veelal professionele ergotherapeuten die zich verder willen ontwikkelen in hun beroepenveld. De wo-master duurt in totaal twee jaar.

Installatie Hans Revier als nieuwe lector




De HBO-Raad meldt:

Lectoraat luidt nieuwe fase in voor gebruik Waddenzee
Oud-directeur Waddenvereniging Hans Revier lector Mariene Wetlands Studies.
Een opmerkelijke samenwerking tussen de Hanzehogeschool Groningen, de Christelijke Hogeschool Nederland (CHN) in Leeuwarden en de Waddenvereniging mondt uit in de installatie van Hans Revier tot lector Mariene Wetlands Studies. De oud-directeur van de Waddenvereniging legt in het nieuwe lectoraat de nadruk op een duurzame toekomst voor een van de mooiste natuurgebieden in Europa. Hij zal als lector daarvoor vooral toegepast onderzoek op poten zetten.

De Waddenzee vertegenwoordigt het laatste stuk ongerepte natuur in Nederland. Als wetland behoort het tot de elite van Europa. Toch is volgens Revier het onderzoek naar de effecten van het gebruik van de Waddenregio door bevolking, toeristen en industrie nog steeds noodzakelijk. De kersverse lector ziet het als zijn taak om de kennis over het gebied te verdiepen. 42 jaar na de oprichting van de Waddenvereniging zijn we in een nieuwe fase aangeland. Als lector hoop ik een rol te kunnen spelen in het bevorderen en uitvoeren van onderzoek naar duurzame oplossingen voor het menselijk gebruik van het natuurgebied. Hoewel hij als hoofdredacteur van het WADDENmagazine aan de Waddenvereniging verbonden blijft, opereert hij als lector vanuit een onafhankelijke positie. Ik zet daarbij vooral de onderzoeksbril op. Revier hoopt dat enkele toekomstige onderzoeksprojecten in aanmerking kunnen komen voor financiering vanuit het Waddenfonds waarvoor in totaal 800 miljoen euro beschikbaar is. Er is nog veel te doen.

Duurzaamheid in Waddengebied
Bij de Hanzehogeschool Groningen is het vooral de Academie voor Architectuur, Bouwkunde en Civiele Techniek die met het lectoraat te maken krijgen, bij de CHN de managementstudies toerisme en vrijetijdskunde. Revier: Voor de Waddenvereniging ligt het zwaartepunt op ecologische duurzaamheid, terwijl de opleidingen in Groningen meer inzicht willen krijgen in de impact van technische ingrepen op de omgeving. Met haar pleidooi voor sustainable leadership probeert de CHN het begrip duurzaamheid vooral tussen de oren van de mensen te krijgen. Dit lectoraat vormt een mooie aanvulling op elkaars sterke kanten. De lector bepleit een integrale benadering van de Waddenzee als natuur-, leef-, woon- en werkgebied. Hij verwacht de discussies over havenuitbreiding, visserij, toerisme en woningbouw te verrijken met nieuwe inzichten. Er valt nog een wereld te winnen. De Waddenzee heeft een etalagefunctie. Nu al blijkt dat de toeristen naar zo'n gebied zichtbare duurzaamheid op prijs stellen. Daar zul je als regio meer op moeten inspelen, aldus Revier. De lector zal tevens dwarsverbanden slaan met relevante maatschappelijke ontwikkelingen in wetlands elders op de wereld.

woensdag, april 04, 2007

Zes misverstanden over het nieuwe leren


De Utrechtse hoogleraar prof. Robert-Jan Simons acht de tijd rijp voor ontnuchtering en relativerende doordenking in het debat over de kwaliteit van het onderwijs en over het ‘nieuw leren’. “Steeds meer misverstanden komen daarin naar boven. Ik wil de zes opvallendste graag proberen recht te zetten.” In een analyse voor ScienceGuide gaat hij daarom in op onder meer de gedachte dat ‘nieuw leren’ zonder toetsing van de kwaliteit zou gaan of dat er geen evidentie bestaat voor de kwaliteit ervan. Ook gaat hij scherp in op de stellingen van zijn Groningse collega prof. Van der Werf, die “een karikatuur” zou maken van deze discussie.



Zes misverstanden over het nieuwe leren

In de heftige debatten over het nieuwe leren komen steeds meer misverstanden naar voren. Hieronder probeer ik er zes recht te zetten.

Deze zes misverstanden over het nieuwe leren zijn:

- Professor Van der Werf uit Groningen zou hebben aangetoond dat nieuw leren minder effectief is dan oud leren
- Er zou geen evidentie zijn voor de kwaliteit van het nieuwe leren
- Nieuw leren zou de oorzaak zijn van de achteruitgang in de kwaliteit van het onderwijs
- Nieuw leren zou afzien van toetsing
- Nieuw leren zou een vorm van leren zijn waarbij leerlingen volledig zelf bepalen wat ze willen leren
- Bij nieuw leren zou kennis onbelangrijk zijn

Misverstand 1. Professor Van der Werf uit Groningen zou hebben aangetoond dat nieuw leren minder effectief is dan oud leren

De argumenten van Van der Werf laten zich als volgt kort samenvatten: er is geen empirische evidentie die aannemelijk maakt dat nieuw leren tot betere leerresultaten leidt dan andere vormen van leren zoals georganiseerd via het directe instructiemodel. Dat is heel wat anders dan aantonen dat het nieuwe leren niet werkt of minder effectief zou zijn dan onderwijs volgens het directe instructiemodel. Zij heeft dus hoogstens aangetoond dat het nieuwe leren niet beter is dan het oude. Maar zelfs dat klopt niet!

Van der Werf spitst de empirische discussie namelijk toe op de volgende door haar veronderstelde en verzonnen vooronderstellingen achter het nieuwe leren:

a) dat kennis niet kan worden overgedragen via instructie;

b) dat kennis niet kan worden opgedeeld in afzonderlijke componenten en dat leerlingen het beste leren als ze geconfronteerd worden met complexe problemen,

c) dat objectieve evaluatie van leeruitkomsten niet mogelijk is,

d) dat abstracte kennis niet kan generaliseren naar alledaagse situaties en niet bijdraagt aan succesvolle beroepsuitoefening en

e) dat sociaal leren effectiever is dan individueel leren.

Naar mijn mening zijn dit niet de juiste en niet de enige veronderstellingen. Ik zou de veronderstellingen allemaal net iets anders verwoorden:

a) omdat kennisverwerving een actief (re) constructieproces is, is (mentale) activiteit van de lerende noodzakelijk;

b) het opdelen van kennis en vaardigheden in kleine eenheden leidt tot moeilijkheden bij het oplossen van complexe problemen;

c) wanneer we ons beperken tot het toetsen van die kennis en vaardigheden die objectief toetsbaar zijn, missen we belangrijke kennis en vaardigheden; bovendien gaan docenten en leerlingen zich dan richten op dat wat objectief toetsbaar is;

d) generalisatie naar alledaagse situaties en beroepscontexten vraagt om vroegtijdige contacten met en oefeningen in deze contexten en

e) samenwerkend leren kan onder bepaalde condities goed zijn voor de prestaties en de motivatie van leerlingen

Aantonen dat kennis soms wel kan worden overgedragen via instructie, dat het soms noodzakelijk is om kennis en vaardigheden op te delen in kleinere eenheden en hiërarchisch te ordenen, dat subjectieve evaluatie gevaarlijk kan zijn, dat abstracte instructie wel effectief kan zijn en dat individueel leren soms net zo effectief is als samenwerkend leren, zegt derhalve niets over het nieuwe leren, omdat dit niet de relevante vooronderstellingen zijn. Laten we de discussie toespitsen op deze vooronderstellingen en niet op de karikatuur die van der Werf ervan heeft gemaakt.

Misverstand 2 : Er zou geen evidentie zijn voor de kwaliteit van het nieuwe leren

Hoewel op voorhand duidelijk moet worden gesteld dat het onderwijsonderzoek niet zover is dat er definitieve uitspraken gedaan kunnen worden over de kwaliteit van ons onderwijs (oud of nieuw), gewoon omdat de werkelijkheid te complex is en er te veel variabelen een rol (kunnen) spelen, gaat het ook weer te ver om te stellen dat er geen evidentie zou zijn.

Waar het m.i. ook om gaat is dat verschillende (oude en nieuwe) onderwijsarrangementen niet kunnen worden vergeleken tegen “oude” criteria. Het gaat immers juist ook om de nieuwe soorten van leeruitkomsten die gerealiseerd zouden moeten worden. Kernvragen in die discussie zouden moeten zijn welke onderwijsarrangementen beter de gewenste nieuwe leeruitkomsten realiseren. Daarnaast vind ik een belangrijke vraag: “voor welke typen leerlingen is de ene vorm beter dan de andere?”

Er is bijvoorbeeld heel veel onderzoek gedaan naar probleem gestuurd onderwijs (gericht op nieuw leren) zoals dit aan de universiteit Maastricht is ontwikkeld. Al dat onderzoek laat zich als volgt samenvatten: probleem gestuurd onderwijs leidt tot evenveel kennis als traditioneel onderwijs, maar in een kortere tijd. Daarnaast levert PGO betere resultaten op andere leeruitkomsten op, zoals kunnen toepassen, problemen kunnen oplossen en kunnen samenwerken.

Ook is er heel veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van samenwerkend leren in vergelijking met individueel leren. Duidelijk is daaruit geworden dat samenwerkend leren onder bepaalde condities tot zijn recht komt en tot effectief leren zal leiden. Die condities hebben bijvoorbeeld betrekking op oefening (leerlingen moeten eerst leren om op andere manieren te gaan leren voordat deze vormen effectief kunnen zijn), inhouden (er zijn onderwerpen die gemakkelijker samen in geleerd kunnen worden dan andere), relaties (welk gemeenschappelijk belang hebben de samenwerkenden?) en voorkennis en ervaring (hoe meer voorkennis en hoe meer ervaring leerlingen hebben, hoe effectiever zij samen kunnen leren). Samenwerkend leren is effectiever dan individueel leren wanneer aan dergelijke condities is voldaan. Er is op deelterreinen evidentie voor het nieuwe leren.

Misverstand 3: Nieuw leren zou afzien van toetsing

Er wordt op diverse plaatsen gesuggereerd dat voorstanders van het nieuwe leren af zouden zien van objectieve toetsing en alleen af zouden gaan op zelfevaluaties door lerenden of op het afvinken van competentielijstjes. Ook dit is een misverstand.

Het gaat om een probleem dat de A.D. de Groot al in 1974 het dekkingsprobleem noemde. Hij bedoelde hiermee dat we niet alles objectief kunnen toetsen wat we belangrijk vinden. Beperken we ons tot wat we goed kunnen toetsen, dan gooien heel veel badwater met het kind weg en bevorderen we dat docenten en leerlingen alleen nog gaan leren voor de “toets”. De enige uitweg, zo schreef de Groot, is dat we naast objectieve toetsing ook proberen de andere belangrijk geachte leeruitkomsten centraal te stellen. Daartoe moeten we voor die leeruitkomsten onze toevlucht nemen tot minder harde en minder objectieve vormen van toetsing en zelfassessment. Daarvoor zijn dan bijvoorbeeld portfolio’s en competentie-assessment. Want we willen niet minder dan objectieve kennistoetsing maar meer!

Misverstand 4: Nieuw leren zou de oorzaak zijn van de achteruitgang in de kwaliteit van het onderwijs

De zelfs in de Tweede Kamer veronderstelde achteruitgang in de kwaliteit van ons onderwijs komt voornamelijk voort uit klachten van docenten in het hoger onderwijs. Die realiseren zich echter onvoldoende dat we een sterke toename van de instroom in het hoger onderwijs hebben gehad. Als we in plaats van 20% nu 30% van de leerlingpopulatie in het hoger onderwijs krijgen (en we moeten volgens de politiek naar 50%!), dan is bij gelijkblijvende onderwijskwaliteit een gemiddelde teruggang van de kwaliteit van de kennis en vaardigheden van de instromende studenten nogal logisch. Dus niet de onderwijskwaliteit is gedaald, maar de kwaliteit van de instroom.

In vrijwel alle publicaties en discussies over het nieuwe leren wordt er van uitgegaan dat er één concept nieuw leren is. Recent werd nieuw leren zelfs gelijkgesteld aan leren met te weinig contacturen (zie de recente studentendemonstraties en de discussies in de Tweede Kamer). Elders werd nieuw leren gezien als de veroorzaker van de veronderstelde achteruitgang in de kwaliteit van het onderwijs. Iedereen is ineens ontevreden over ons onderwijs en dat komt door het nieuwe leren. Maar ..… het nieuwe leren is helemaal nog niet op grote schaal in ons onderwijs ingevoerd! Er is niet één vorm van onderwijs die nieuw leren heet; er zijn er vele.

Als er al een achteruitgang in de kwaliteit van het onderwijs te constateren is dan kan dat in niet worden toegeschreven aan een vorm van leren die nog nauwelijks wordt gepraktiseerd. Overigens is ook die plotselinge ontevredenheid over ons onderwijs nauwelijks op onderzoek gebaseerd. Internationaal doet ons onderwijs het heel goed (in de top van de wereldranglijst). Docenten geven hun eigen onderwijs een dikke 7, dat van hun collega’s een dikke 6 en dat van andere scholen een 5. Hoe kan dat? Er is volgens mij maar één verklaring voor: iedereen praat elkaar na en we praten elkaar een kwaliteitsdepressie aan.

Er zijn natuurlijk ook uit onderzoek wel signalen dat het niet goed gaat met onderdelen als spelling (de jeugd vindt dat niet zo belangrijk als je goed kunnen uitdrukken) en rekenvaardigheid (heeft dat met nieuw leren of met rekenmachines te maken?). Op andere terreinen zijn de signalen echter omgekeerd: de moderne jeugd is socialer, slimmer en sneller. Mede door de kwaliteit van ons onderwijs is Nederland een van de prettigste landen voor kinderen om op te groeien. Laten we ophouden met klagen over de kwaliteit van ons onderwijs, ons richten op die uitkomsten die zorgelijk zijn en stoppen met relaties te leggen met het nieuwe leren.

Misverstand 5: Nieuw leren zou een vorm van leren zijn waarbij leerlingen volledig zelf bepalen wat ze willen leren

Nieuw leren wordt meestal gelijkgesteld aan laissez- faire onderwijs: de lerende bepaalt zelf hoe en wat hij / zij wil leren en bepaalt zelf of en wanneer dit gelukt is. Dat is niet wat voorstanders van nieuw leren bedoelen. Nieuw leren wordt niet gerealiseerd in vrijblijvend en docentloos onderwijs. Wat is het dan wel? Wij introduceerden de term in 1997 om een verschuiving in het denken over leren en onderwijzen te signaleren. Het gaat hierbij om nieuwe soorten leerresultaten, die nieuwe leerprocessen, nieuwe onderwijsvormen en nieuwe vormen van toetsing noodzakelijk maken. De redenering ging ongeveer als volgt: de samenleving en de leer- en instructiepsychologie vragen om nieuwe soorten van leerresultaten en die kunnen alleen worden gerealiseerd door andere leerprocessen te realiseren via andere vormen van onderwijs, die ook op andere manieren getoetst moeten worden. De nieuwe uitkomsten van het leren zullen, zo schreven Lodewijks en ik, meer duurzaam, flexibel, functioneel, betekenisvol, generaliseerbaar en toepassingsgericht moeten zijn. Bovendien worden leerresultaten verlangd die een algemener (vakoverstijgend) karakter en een bredere reikwijdte hebben. Dit samenhangende geheel van nieuwe leeruitkomsten, nieuwe leerprocessen, nieuwe onderwijsvormen en nieuwe vormen van toetsing noemden wij ‘nieuw leren’.

Tegenwoordig zijn vriend en vijand het erover eens dat nieuw leren qua vorm betrekking heeft op leren dat zoveel mogelijk samenwerkend, contextueel (authentiek) en actief (zelfstandig is). Zelfs van der Werf definieert nieuw leren zo! Nieuw leren gaat dus veel meer om de gewenste uitkomsten van het onderwijs dan om de vormen van onderwijs of de vrijheidsgraden in het onderwijs. De vorm die onderwijs krijgt moet m.i. afhankelijk zijn van wat wij willen bereiken. Daarbij spelen allerlei kenmerken van lerenden als leeftijd ervaring, voorkennis, leerstijl, intelligentie, milieu en dergelijke een belangrijke rol.

Nieuw leren kan dus de vorm krijgen van probleem gestuurd onderwijs, natuurlijk leren, project onderwijs, duaal onderwijs, samenwerkend leren, leren in authentieke situaties, e-learning, enz. Misschien kunnen we beter zeggen: nieuw leren bestaat niet, want de verschillen tussen deze vormen zijn bijzonder groot.

Misverstand 6 Bij nieuw leren zou kennis onbelangrijk zijn

In de canondiscussie in het geschiedenisonderwijs is nieuw leren verbonden geraakt met leren waarin kennis niet belangrijk is. Helaas wordt hierbij meestal in het midden gelaten welke soort kennis men bedoelt. Gaat het om feitenkennis? Of gaat het om meer? Hoe belangrijk is overzicht over de discipline of in dit geval over de perioden van de geschiedenis? Hoe belangrijk is het historisch bewustzijn of het denken in termen van tijd en plaats? Is het niet eerder betekenis die men bedoelt of zelfs gedeelde betekenis? Waar het mij om gaat is dat ook de discussie over de canon niets te maken heeft met de tegenstelling oud versus nieuw leren.

Rondom competentiegericht onderwijs wordt een tegenstelling tussen kennis en competentie gesuggereerd. Lerenden zouden tegenwoordig alleen nog maar vaardigheden opdoen en geen kennis meer verwerven. In mijn optiek is dit echter een valse tegenstelling. Competentie is meer dan kennis niet minder. Het gaat er juist om dat lerenden met kennis kunnen werken en wel op de juiste plaats en de juiste tijd. Iemand is competent als hij / zij in een moeilijke authentieke situatie gebruik kan maken van verworven kennis, ook onder druk, in tijdsnood, onverwacht en onvoorbereid. Daarnaast betekent competent zijn ook nog eens: resultaten boeken met die verworven kennis.

Kortom, ook in het nieuwe leren is kennis heel belangrijk. Er worden zelfs hogere eisen aan gesteld dan in het oude leren het geval was.


Prof dr. P.R.J. Simons
IVLOS Universiteit Utrecht

CHN voert wederom de Matthäus Passion uit in de Grote Kerk van Leeuwarden




Symposium Zorg en Gastvrijheid



zondag, april 01, 2007

Afscheid twee Raad van Toezicht leden

Afgelopen week hebben wij afscheid genomen van Annelien de Winter en Ginus Geersing. Annelien was naast lid van de Raad van Toezicht ook lid van de onderwijs commissie. Ginus, vice voorzitter van de Raad van Toezicht, was tevens voorzitter van de audit committee.




Beiden hartelijk dank voor jullie inzet en ondersteuning bij de opbouw van de CHN tot wat het nu is! Het ga jullie goed.


(Afscheidskado)

Marchienes Geersing Auditorium



Ter gelegenheid van het afscheid van de vice voorzitter van de Raad van Toezicht is het CHN Auditorium naar hem vernoemd. Na 21 jaren betrokken te zijn geweest voor de CHN was dit in onze ogen een passende wijze om dit feit vast te leggen.

Ginus bedankt voor die 21 jaren!

De Samenschooldag op 27 maart was een groot succes

De Samenschooldag op 27 maart was een groot succes. Hieronder een kleine foto compilatie,.







Adriaansens: 'Bachelorfase moet fors beter'


"Al die mensen die spreken over dat het in het onderwijs beter moet, doen er zelf niets aan. Dat komt te veel voor." Tijdens het VSNU-café van 27 maart gaf prof. Hans Adriaansens af op de babyboomers, "van wie ik er zelf een ben. Al die mensen die nu in ingezonden stukken klagen over jonge mensen, zijn vergeten hoe slecht ze zelf schreven toen ze zelf 17 of 18 jaar waren".

De chef van de Roosevelt Academy riep de universiteiten op vooral zelf aan de slag te gaan met de kwaliteit van het onderwijs. "Binnen de huidige wetgeving kan enorm veel, laten we die mogelijkheden maar eens gaan gebruiken." Adriaansens pleitte voor een indringende kwaliteitsverbetering van de bachelorfase. "Het is interessant dat er in het regeerakkoord gesproken wordt over kleinschalig onderwijs.

Maar dat slaat op het voortgezet onderwijs, terwijl de kans op anonimiteit in de bachelorfase nu juist het grootste is. Ik vind dat er een aparte lumpsum voor de bachelorfase moet komen. Anders is de noodzaak daarin te investeren te vrijblijvend. Ook zou het goed zijn als de universiteiten rectoren-magnifici voor de bachelorfase benoemen. Als je dat doet, komt het onderzoek daar wel van de grond”.

Hans Adriaansens gaf daarbij ook aan, hoe moeilijk het is de kwaliteit van onderwijs op universiteiten te verbeteren: "Als decaan is het mij niet gelukt, ik kreeg het schip maar één of twee graden uit koers. Sinds ik in Greenpeacebootjes langs de colleges van besturen vaar, heeft iedereen de pest aan mij. Maar er gebeurt tenminste wat. Kennelijk is het nodig de kat de bel aan te binden".

ISO-voorzitter Sebastiaan den Bak pleitte voor het terugbrengen van persoonlijke aandacht in het hoger onderwijs: "Het is belangrijk dat studenten gestimuleerd worden. Men denkt nu nog te veel in groepen studenten. Het wordt tijd voor gedifferentieerde trajecten, zodat maatwerk geboden kan worden. Ook is het belangrijk dat docenten zich gewaardeerd voelen in hun professie. Het is belangrijk dat de minister hier werk van maken. Hij kan de wettelijke kaders bieden".

Ook pleitte hij ervoor meer student-assistenten in het onderzoek te laten meedraaien, om zo de betrokkenheid van studenten bij het onderzoek te vergroten. Binnenkort komen ISO en KNAW met een gezamenlijk voorstel hierover. Adriaansens viel Den Bak bij: "Ik wil ook dat meer studenten in het onderzoek participeren. Het is daarbij wel belangrijk dat we afbakenen wat goed undergraduate research is. Dan wordt het ook leuk voor docenten om daarin te participeren. Daarom vind ik dat we voorzichtig moeten zijn met de term toponderzoek, omdat in dergelijke onderzoeksprojecten voor undergraduate studenten doorgaans geen plaats is". Hij pleitte daarom voor verbetering van de bachelorfase. "Het is interessant dat er in het regeerakkoord gesproken wordt over kleinschalig onderwijs. Maar dat slaat op het voortgezet onderwijs, terwijl de kans op anonimiteit in de bachelorfase nu juist het grootste is."

ScienceGuide