zaterdag, september 30, 2006
vrijdag, september 29, 2006
woensdag, september 27, 2006
dinsdag, september 26, 2006
Today we are celebrating the European Day of Languages

What is the European Day of Languages?
The European Day of Languages is an established annual event, born out of the enthusiasm with which it was celebrated in 2001 (the European Year of Languages) and the need to continue to develop language capability across Europe.
The European Day of Languages aims to draw the public's attention to the importance of language learning, raise awareness of all the languages spoken in Europe and encourage lifelong language learning Hundreds of activities celebrating language diversity and promoting language learning are being held throughout Europe on 26 September. The Day also provides an opportunity to continue to strengthen partnerships developed during the Year at local, regional, national and international levels. Visit the Council of Europe's web site where you will find ideas to celebrate the day and a database of events.
En wat is een beter moment dan vandaag om ons language center te openen? Iedereen van harte en heel veel succes met de nieuwe initiatieven rondom het talenonderwijs binnen de CHN.

Meer aandacht voor ondernemerschap in het Hogeronderwijs
Een uitkomst uit mijn hart !
Science Guide 22 september 2006
Meer ondernemerschap goed voor rendement HO
Ondernemerschap heeft in Nederland weinig aantrekkingskracht, vooral op hoger opgeleiden. Minder dan tien procent van alle hoger opgeleiden overweegt ooit ondernemer te worden. Dit is een serieus probleem, stelt prof. dr. Mirjam van Praag in haar oratie Nieuwe combinaties: ondernemerschap en organisatie.
In recent onderzoek laat Van Praag, hoogleraar Ondernemerschap en Organisatie, zien dat ondernemers hun opleiding vaak veel productiever kunnen inzetten dan werknemers, omdat ze meer vrijheden en beslissingsbevoegdheden hebben. Het rendement op menselijk kapitaal is dan ook hoger voor ondernemers dan voor werknemers. Hoger opgeleiden zouden dus juist het ondernemerschap moeten overwegen om daarmee meer rendement uit hun universitaire of hbo- opleiding te halen. Bovendien zijn hoger opgeleide ondernemers in staat om meer economische groei te genereren in een steeds meer op kennis gebaseerde economie. Groei is essentieel, want Nederland loopt internationaal achter in termen van het aantal snel groeiende ondernemingen.
Het is volgens Van Praag dus hoog tijd voor meer aandacht voor ondernemerschap in het hoger onderwijs. In welke vorm, zal op basis van veldexperimenten in het hoger onderwijs zelf verder moeten worden onderzocht. Dergelijke experimenten - met medewerking van onderwijsinstellingen en ministeries - zijn nodig om te leren welke onderwijsvormen het meest effectief zijn om ondernemerschap in Nederland te stimuleren en ondernemerscompetenties te ontwikkelen.
Midden- en kleinbedrijf
De roep om meer ondernemende werknemers is vooral groot in grote bedrijven. Juist daar is het vinden van geschikte prestatiemaatstaven het lastigst. In kleine bedrijven - die geleid worden door de ondernemer zelf - is het toepassen van prestatiecontracten om werknemers te stimuleren hun menselijk kapitaal effectief in te zetten gemakkelijker. De ondernemer zit er ‘dichter op’ en kan dus veel beter beoordelen hoe de werknemer in verschillende opzichten functioneert. Negentig procent van de ondernemers in het Nederlandse midden- en kleinbedrijf zegt de prestaties van hun werknemers goed te kunnen beoordelen. Nog maar weinig jonge en kleine bedrijven maken echter gebruik van prestatiebeloning of winstdeling. Terwijl het voordeel - verkleining van de risico’s van het ondernemerschap, mede door wet- en regelgeving op het gebied van ontslagbescherming en doorbetaald ziekteverzuim - juist voor hen interessant is. De vaste salarissen van werknemers worden immers lager, en de totale beloning ademt mee met de bedrijfsresultaten.
Prestatiebeloning
Bovendien kunnen werkgevers leren van de observatie dat het rendement op menselijk kapitaal hoger is voor ondernemers dan voor werknemers. Om ook het rendement op menselijk kapitaal van werknemers te verhogen (richting het niveau van ondernemers), zou onder werknemers ondernemend gedrag gestimuleerd kunnen worden, bijvoorbeeld door middel van prestatiebeloning. Immers, prestatiebeloning maakt van de werknemer deels een ondernemer, omdat hij deelgenoot wordt van de winst en de risico’s van de ondernemer. Voor bedrijven levert prestatiebeloning echter een nog niet erkend dilemma op. Enerzijds zijn prestatiecontracten goed om ondernemerschap te stimuleren, omdat het mensen met een ondernemende houding aantrekt. Anderzijds wordt die ondernemende houding vaak gefrustreerd door diezelfde prestatiebeloning, omdat ondernemerschap in het algemeen moeilijk meetbaar is en dus geen deel uitmaakt van het prestatiecontract. En .. what gets measured, gets done. Van Praag betoogt dat daarom meetbare maatstaven van ondernemend gedrag ontwikkeld moeten worden. Dit vergt meer onderzoek, maar maakt prestatiebeloning een potentieel interessant instrument om ondernemerschap te stimuleren.
Science Guide 22 september 2006
Meer ondernemerschap goed voor rendement HO
Ondernemerschap heeft in Nederland weinig aantrekkingskracht, vooral op hoger opgeleiden. Minder dan tien procent van alle hoger opgeleiden overweegt ooit ondernemer te worden. Dit is een serieus probleem, stelt prof. dr. Mirjam van Praag in haar oratie Nieuwe combinaties: ondernemerschap en organisatie.
In recent onderzoek laat Van Praag, hoogleraar Ondernemerschap en Organisatie, zien dat ondernemers hun opleiding vaak veel productiever kunnen inzetten dan werknemers, omdat ze meer vrijheden en beslissingsbevoegdheden hebben. Het rendement op menselijk kapitaal is dan ook hoger voor ondernemers dan voor werknemers. Hoger opgeleiden zouden dus juist het ondernemerschap moeten overwegen om daarmee meer rendement uit hun universitaire of hbo- opleiding te halen. Bovendien zijn hoger opgeleide ondernemers in staat om meer economische groei te genereren in een steeds meer op kennis gebaseerde economie. Groei is essentieel, want Nederland loopt internationaal achter in termen van het aantal snel groeiende ondernemingen.
Het is volgens Van Praag dus hoog tijd voor meer aandacht voor ondernemerschap in het hoger onderwijs. In welke vorm, zal op basis van veldexperimenten in het hoger onderwijs zelf verder moeten worden onderzocht. Dergelijke experimenten - met medewerking van onderwijsinstellingen en ministeries - zijn nodig om te leren welke onderwijsvormen het meest effectief zijn om ondernemerschap in Nederland te stimuleren en ondernemerscompetenties te ontwikkelen.
Midden- en kleinbedrijf
De roep om meer ondernemende werknemers is vooral groot in grote bedrijven. Juist daar is het vinden van geschikte prestatiemaatstaven het lastigst. In kleine bedrijven - die geleid worden door de ondernemer zelf - is het toepassen van prestatiecontracten om werknemers te stimuleren hun menselijk kapitaal effectief in te zetten gemakkelijker. De ondernemer zit er ‘dichter op’ en kan dus veel beter beoordelen hoe de werknemer in verschillende opzichten functioneert. Negentig procent van de ondernemers in het Nederlandse midden- en kleinbedrijf zegt de prestaties van hun werknemers goed te kunnen beoordelen. Nog maar weinig jonge en kleine bedrijven maken echter gebruik van prestatiebeloning of winstdeling. Terwijl het voordeel - verkleining van de risico’s van het ondernemerschap, mede door wet- en regelgeving op het gebied van ontslagbescherming en doorbetaald ziekteverzuim - juist voor hen interessant is. De vaste salarissen van werknemers worden immers lager, en de totale beloning ademt mee met de bedrijfsresultaten.
Prestatiebeloning
Bovendien kunnen werkgevers leren van de observatie dat het rendement op menselijk kapitaal hoger is voor ondernemers dan voor werknemers. Om ook het rendement op menselijk kapitaal van werknemers te verhogen (richting het niveau van ondernemers), zou onder werknemers ondernemend gedrag gestimuleerd kunnen worden, bijvoorbeeld door middel van prestatiebeloning. Immers, prestatiebeloning maakt van de werknemer deels een ondernemer, omdat hij deelgenoot wordt van de winst en de risico’s van de ondernemer. Voor bedrijven levert prestatiebeloning echter een nog niet erkend dilemma op. Enerzijds zijn prestatiecontracten goed om ondernemerschap te stimuleren, omdat het mensen met een ondernemende houding aantrekt. Anderzijds wordt die ondernemende houding vaak gefrustreerd door diezelfde prestatiebeloning, omdat ondernemerschap in het algemeen moeilijk meetbaar is en dus geen deel uitmaakt van het prestatiecontract. En .. what gets measured, gets done. Van Praag betoogt dat daarom meetbare maatstaven van ondernemend gedrag ontwikkeld moeten worden. Dit vergt meer onderzoek, maar maakt prestatiebeloning een potentieel interessant instrument om ondernemerschap te stimuleren.
Gelukkig zijn er ook mensen die genuanceerd schrijven over de positie van het management binnen het onderwijs !
maandag, september 25, 2006
dinsdag, september 19, 2006
Speech signing ceremony China campus
Speech signing ceremony 19th of September 2006 CHN Royalton University (China) by Robert Veenstra, president of CHN University The Netherlands (pdf)
Bijgaande link geeft mijn signing speech in het engels en chinees.
Bijgaande link geeft mijn signing speech in het engels en chinees.
Start campussite China


CHN persbericht:
Leeuwarden, 18 september 2006.
Bouw Nederlandse campussite CHN in China van start
De Christelijke Hogeschool Nederland (CHN) en de Chinese investeringsmaatschappij Royalton Investment hebben overeenstemming bereikt over de bouw van een campus in China. De realisatie in het toeristische Duijangyan (provincie Sichuan) vergt een investering van €9 miljoen. De Nederlands-Chinese hogeschool bestaat uit een Hoge Hotelschool en opleidingen in Office Management, Retail Management, International business studies en Tourismmanagement. De hospitality-opleiding op hbo-niveau is de eerste in haar soort in China. Unesco heeft de CHN daarvoor benaderd. Op 19 september vindt de ondertekening van de joint venture plaats. ,,Daarna wordt direct met de bouw begonnen’’, aldus voorzitter Robert Veenstra van het College van Bestuur van de CHN. Al in september 2007 kunnen de eerste studenten met hun opleiding beginnen.
De initiatiefnemers verwachten dat de CHN Royalton University China een grote aantrekkingskracht op Chinese studenten heeft. Verwacht wordt dat de opleiding vlakbij de miljoenenstad Chengdu in vijf tot tien jaar vijfduizend studenten telt. Nu China (1,3 miljard inwoners) zich tot een economische grootmacht ontwikkelt, vertoont het toerisme een sterke groei. Op managementniveau bestaat nog geen vergelijkbare opleiding in de hotellerie. De Unesco wil het toerisme in Duijangyan bevorderen. Het gebied staat op de wereld erfgoedlijst, daarnaast komt in de regio de panda nog in het wild voor. De realisatie van een Hoge Hotelschool draagt er volgens Unesco toe bij om de streek tot de toeristische topattractie te ontwikkelen. Op de ruim opgezette campus aan een meer zal tevens een viersterren hotel verrijzen. De organisatie heeft de CHN gevraagd vanwege haar deskundigheid op onderwijsgebied. De Hogeschool kan op termijn ook vestigingen krijgen in Beijing en Shanghai.
Er is overeengekomen dat beide partijen twee leden voor de raad van toezicht benoemen. Een vijfde zetel wordt ingenomen door een afgevaardigde van de VN. De bouw van het luxe hotel, de campus, studentenhuisvesting in woontorens en de aanleg van sportfaciliteiten in een parkachtige omgeving met waterpartijen kost in totaal enkele tientallen miljoenen euro’s.
De CHN heeft nu al een opleiding International Hospitality Management in Leeuwarden met campussites in Port Alfred (Zuid-Afrika), Doha (Qatar) en Bangkok (Thailand). Royalton Investment is eigenaar van verschillende hotels in China die tevens als leerbedrijf binnen de opleiding gaan fungeren. Volgens Robert Veenstra, voorzitter van het College van Bestuur van de CHN, heeft de VN na onderzoek de partner als ‘solide’ bestempeld. Unesco financiert de projectfase. Royalton Investment staat garant voor de totale bouw- en exploitatiekosten. ,,We lopen geen financieel risico’’, aldus Veenstra. ,,Dat was een voorwaarde om in het project te stappen.’’ De CHN levert het curriculum, de onderwijskundige organisatie en de diploma’s voor de verschillende opleidingen die de hogeschool ook op haar hoofdvestiging in Leeuwarden aanbiedt. Het initiatief past in het streven van de hogeschool om studenten een deel van hun opleiding in buitenlandse vestigingen te laten volgen. Het concept van deze eigentijdse ‘Grand Tour’ blijkt onder jongeren erg aan te slaan. Veenstra: ,,Dit is een geweldige stap vooruit in onze internationaliseringsstrategie. Bedrijfseconomisch biedt dit perspectief. Deze campus ziet er veelbelovend uit, want hoe je het ook wendt of keert de komende decennia is China toch het land waar het gebeurt. Daar willen wij graag bij zijn.’’ De bouw van de campus biedt Nederlandse studenten van de CHN de kans om van nabij de rijke Chinese cultuur te ervaren. ,,Wij kunnen in veel opzichten heel wat van de Chinezen leren’’, aldus de voorzitter van het College van Bestuur. ,,Ik ben hier erg blij mee.’’
Duijangyan is internationaal vermaard vanwege de prachtige tempels op de berg Qingcheng. Het gebied wordt beschouwd als de geboorteplaats van het Taoïsme. Het fijnmazig irrigatienetwerk dat stamt uit de derde eeuw voor Christus geldt als ‘juweeltje’ van technisch vernuft. De bevloeiing vanuit de Minjiang rivier vindt nog altijd via dit ingenieuze systeem plaats.
Voor meer informatie: Robert Veenstra, voorzitter College van Bestuur CHN. Tijdsverschil +7 uur.
ScienceGuide 18 september 2006
Nederlandse campus in China
De CHN en Royalton Investment in China hebben overeenstemming bereikt over de bouw van een campus in China. De nieuwe hogeschool bestaat uit een Hoge Hotelschool en opleidingen in Office Management, Retail Management, International business studies en Tourismmanagement. De hospitality-opleiding op hbo-niveau is de eerste in haar soort in China. Unesco heeft de CHN daarvoor benaderd.
De realisatie in Duijangyan, dichtbij miljoenenstad Chengdu in Sichuan vergt een investering van €9 miljoen. Morgen vindt de ondertekening van de joint venture plaats. ,,Daarna wordt direct met de bouw begonnen’’, aldus CvB-voorzitter Robert Veenstra, en in september 2007 kunnen de eerste studenten met hun opleiding beginnen. De initiatiefnemers verwachten dat de CHN Royalton University China een grote aantrekkingskracht op Chinese studenten heeft. Verwacht wordt dat de opleiding in vijf tot tien jaar vijfduizend studenten telt.
De Unesco wil het toerisme in Duijangyan bevorderen. Het gebied staat op de wereld erfgoedlijst, ook komt in de regio de panda nog in het wild voor. Duijangyan is internationaal vermaard vanwege de prachtige tempels op de berg Qingcheng. Het gebied wordt beschouwd als de geboorteplaats van het Taoïsme. Het fijnmazig irrigatienetwerk dat stamt uit de derde eeuw voor Christus geldt als ‘juweeltje’ van technisch vernuft. De bevloeiing vanuit de Minjiang rivier vindt nog altijd via dit ingenieuze systeem plaats. De realisatie van een Hoge Hotelschool draagt er volgens Unesco toe bij om de streek tot de toeristische topattractie te ontwikkelen. Op de ruim opgezette campus aan een meer zal tevens een viersterren hotel verrijzen. De organisatie heeft de CHN gevraagd vanwege haar deskundigheid op onderwijsgebied.
De hogeschool kan op termijn ook vestigingen krijgen in Beijing en Shanghai. Er is overeengekomen dat beide partijen twee leden voor de raad van toezicht benoemen. Een vijfde zetel wordt ingenomen door een afgevaardigde van de VN. De bouw van het luxe hotel, de campus, studentenhuisvesting in woontorens en de aanleg van sportfaciliteiten in een parkachtige omgeving met waterpartijen kost in totaal enkele tientallen miljoenen euro’s.
Veenstra onderstreept dat de VN na onderzoek de partner als ‘solide’ heeft bestempeld. Unesco financiert de projectfase. Royalton Investment staat garant voor de totale bouw- en exploitatiekosten. ,,We lopen geen financieel risico. Dat was een voorwaarde om in het project te stappen.’’ De CHN levert het curriculum, de onderwijskundige organisatie en de diploma’s voor de verschillende opleidingen die de hogeschool ook op haar hoofdvestiging in Leeuwarden aanbiedt. Het initiatief past in het streven van de hogeschool om studenten een deel van hun opleiding in buitenlandse vestigingen te laten volgen.
Leeuwarder Courant 19 september 2006

Financieel Dagblad 19 september 2006

Friesch Dagblad 18 september 2006
china%20signing.pdfpresentatie%20china%20signing.pdfchina.pdf woensdag, september 13, 2006
Friese hotelschoolstudenten verkennen toekomstige werkplek MS Rotterdam

Leeuwarden, 7 september 2006.
Friese hotelschoolstudenten verkennen toekomstige werkplek MS Rotterdam
Het vlaggenschip van de Holland-America Line, de MS Rotterdam, verwelkomt donderdag 14 september in de haven van Rotterdam 36 studenten van de Hoge Hotelschool in Leeuwarden voor een bijzondere kennismaking. De derdejaars studenten van de Friese opleiding van de Christelijke Hogeschool Nederland (CHN) volgen een tien weken durende specialisatie in het hotelmanagement op een cruiseschip. Een aantal van hen ambieert een baan bij de HAL.
Na een kortstondige dip in 2001 is het cruisetoerisme bezig aan een imposante groei. Vorig jaar verkozen 13 miljoen mensen een dergelijke vakantiebestemming, terwijl dat er dit jaar al 14 miljoen zijn. Het merendeel van de gasten aan boord heeft de Amerikaanse nationaliteit, maar de cruisemaatschappijen mikken vooral op een stijgende belangstelling op de Europese markt. Op dit moment boeken 2 miljoen Europeanen een cruise, binnen een paar jaar moet dat aantal stijgen tot 5 miljoen. Veel grote cruisemaatschappijen hebben dan ook nieuwe van alle moderne gemakken voorziene schepen in bestelling. De Holland-America Line die vanouds vanaf Rotterdam op de Nieuwe Wereld voer, is een van de toonaangevende cruisemaatschappijen die vooral het hogere segment van de markt bedient. De vloot bestaat uit dertien schepen die alle wereldzeeën bevaren en in totaal 305 havens aandoen. Slechts zelden doet het vlaggenschip met maximaal 1800 passagiers de thuishaven ‘Rotterdam’ aan. De studenten krijgen de kans hun toekomstige werkplek te verkennen terwijl de nieuwe gasten aan boord komen.
De Hoge Hotelschool is dit jaar begonnen met een specialisatie voor hotelschoolstudenten die zich op het werken op cruiseschepen willen voorbereiden. Volgens gastdocente Josephine van Gent van Cruisejobsonline en initiatiefneemster van het nieuwe studieonderdeel is een varend vijfsterrenhotel heel iets anders dan de hotellerie op de wal. ,,De nautische- en technische afdeling werken nauw samen met de hoteldienst. Als een telefoonlijn het niet doet, kun je niet even de KPN bellen. Je bent op elkaar aangewezen, dat vereist andere organisatorische talenten.’’ Lang niet iedereen is in de wieg gelegd voor een dergelijk strak regime waarbij het personeel soms 12 uur achtereen werkt en dat zeven dagen in de week, vijf maanden lang. Tijdens de wisseling van passagiers moeten zo’n 1800 gasten binnen twee uur van boord zijn, terwijl de volgende groep enkele uren later alweer aanmonstert. ,,Organisatorisch vergt dat het uiterste van mensen.’’ Toch gaat er ook een behoorlijke charme van uit. ,,Veel studenten lijkt het heel interessant. De exotische bestemmingen, het contact met verschillende culturen en het mooie weer zijn ook wel heel aanlokkelijk’’, weet ze. Gezien de explosieve groei van het cruisetoerisme is er veel vraag naar personeel. ,,We hopen dat uiteindelijk zo’n 10 tot 20 procent van deze studenten gaat varen.’’ Twee vierdejaarsstudenten zijn inmiddels begonnen aan hun stage bij de HAL, vertelt Ate de Groot van de Hoge Hotelschool. ,,Het is booming business. Vroeger lag het accent bij de cruises op de excursies aan wal, nu zijn de schepen de bestemming. Er is zoveel aan boord te doen dat de toeristen amper meer van boord hoeven. Daardoor neemt het belang van goed opgeleide hotelmanagers toe. Wij spelen daar met deze opleiding graag op in.’’ Zo telt de 780 voet lange MS Rotterdam die in 1997 te water werd gelaten, enkele grote restaurants, een casino, fitness ruimten, een sauna, tennisbanen, een bibliotheek, een kooktheater en een showlounge.
Voor de pers bestaat de mogelijkheid voorafgaand aan de excursie van de studenten aan boord van de MS Rotterdam een rondleiding te krijgen. Gezien de strenge veiligheidsmaatregelen aan boord moeten geïnteresseerde journalisten en/of fotografen zich uiterlijk maandag 11 september opgeven bij Josephine van Gent. De rondleiding neemt ongeveer twee uur in beslag. Desgewenst kunnen de verslaggevers ook nog een deel van de excursie van de studenten meemaken om impressies op te doen. De rondleiding voor de pers start om 12.00 uur, die van de studenten om 14.00 uur.
Voor opgave en routebeschrijving naar de Cruiseterminal: Josephine van Gent, cruisejobs-online@planet.nl of 06-515 101 70.
maandag, september 11, 2006
Eindelijk krijgt studeren in het buitenland een prominente plaats - waren wij dan onze tijd zoveel vooruit?
zondag, september 10, 2006
Ons nieuwe restaurant La Trattoria is een feit.
Ons nieuwe restaurant La Trattoria is een feit.
Woensdag 6 september maakten de eerste gasten kennis met ons nieuwe concept.
De komende weken zullen wij benutten om ons nieuwe concept in te voeren en te evalueren waarna in oktober de officiele opening plaats zal vinden.
Ter gelegenheid van deze soft opening hebben wij een vriendelijk geprijsd kennismakingsarrangement voor u samengesteld (uitsluitend vooraf te reserveren).
Daarnaast kunt u een keuze maken uit onze nieuwe menukaart.
Tot ziens in La Trattoria.
vrijdag, september 08, 2006
U bent hier bij een PGO-universiteit

Onderstaand artikel trof ik aan op Science Guide (4 september). Recht uit het hart !
U bent hier bij een PGO-universiteit
PGO (Probleemgestuurd Onderwijs) blijft het handelsmerk van de Universiteit Maastricht, maar het concept moet wel vernieuwd. “De universiteit wil open blijven staan voor nieuwe manieren van leren. Het is essentieel dat belangrijke ontwikkelingen in het onderwijs geïntegreerd worden in het PGO”, zo staat in het Strategisch Programma 2007-2010 dat vandaag op de universiteit is gepresenteerd. Op ScienceGuide onthult collegevoorzitter Jo Ritzen zijn plannen voor de doorontwikkeling van PGO. Dit heeft volgens hem alles te maken met ranking, best practices, en personeelsbeleid. “Tegen nieuwe docenten zeggen we: “U bent hier bij een een PGO-universiteit. Als dat u niet bevalt, dan hoort u hier niet thuis”.
Vorige week maakt de Universiteit Maastricht al bekend dat zij het collegegeld van de 3% beste studenten gaat vergoeden, als een impuls voor onderwijskwaliteit. Het Maastrichtse College van Bestuur heeft echter nog veel meer maatregelen in petto, bedoeld om PGO bij de tijd te houden en beter in te bedden.
In welke fase is de Universiteit Maastricht?
Onlangs heb ik een vergelijking gemaakt van de universiteiten van Warwick, Mannheim, Tilburg en Rotterdam, allemaal universiteiten die zo’n 40 à 50 jaar bestaan. Geheel bij toeval stuitte ik daarbij op een treffende overeenkomst: bij al die universiteiten zag je in het begin een groeispurt, waarna die universiteiten zonder uitzondering na een periode van overstretch in de problemen kwamen. De universiteit Maastricht bestaat nu 31 jaar. Na een piek van 3000 eerstejaars in 1998/1999 is het aantal eerstejaars bij ons tot 2005 met 10% gedaald. Nu willen we naar 5% groei, niet omdat we in groei op zich geloven, maar gewoon omdat anders de interne stabiliteit in gevaar komt, en er geen ruimte is voor nieuwe investeringen. Daarom is het van belang dat er een Strategisch Programma is, omdat universiteiten na een aantal jaren de neiging hebben stil te staan. Wij moeten ook wat anders, want de Universiteit Maastricht is niet zozeer opgericht vanwege capaciteitsproblemen, maar nadrukkelijk ook om onderwijsvernieuwing te realiseren.
Waarom is PGO aan herijking toe?
De eerste tien jaar ging het goed, daarna is het wat afgezwakt, om allerlei goede redenen overigens. PGO is duur, dus de vraag kwam op: kunnen we de groepen niet groter maken? Ook waren er mensen die toch wel behoefte hadden aan meer disciplinair onderwijs. Het is van belang dat we consistent blijven vasthouden aan de lijn. In het verleden waren er wel eens docenten die hier kwamen werken en dan zeiden: met PGO heb ik niets te maken. Gelukkig trokken ze meestal wel bij. Tegen nieuwe docenten zeggen we daarom nu: u komt werken bij een PGO- universiteit. Wilt u dat niet? Dan hoort u hier niet thuis.
We willen PGO gaan doorontwikkelen langs twee lijnen. In de eerste plaats willen we meer gebruik gaan maken van e- learning, van computerondersteund onderwijs. In de tweede plaats willen we meer gebruik maken van neurosciences. We laten onderzoek doen naar vragen als: wat gaat er in de hoofden om? Hoe leren studenten? Ik zeg er wel bij: van dat onderzoek moet je niet al te snel resultaten verwachten.
Voor de verdere doorontwikkeling van PGO houden we ook interne quality audits, om best practices te identificeren. Die hebben dan met name betrekking op de inbedding van PGO. Zo heeft de faculteit Economie een mooie oplossing bedacht voor de financierbaarheid van PGO. De tutoren zijn jonge mensen, liefst wel gepromoveerd, die begeleid worden door een goede senior staf. Het PGO is zo ingebed in een uitstekend HRM-beleid. De faculteit Rechten heeft daar inmiddels een voorbeeld aan genomen. In Nederland zie je dat toch niet vaak, dat faculteiten van elkaar willen leren. In Nederland willen faculteiten vooral laten zien dat ze zelf de beste zijn. Maar Maastricht is een jonge universiteit, misschien heeft dat er iets mee te maken. Het maakt het voor mij in ieder geval wel heel leuk hier te werken.
Onze benadering houden we overigens niet voor onszelf. De universiteit van Tokyo heeft ons gevraagd mee te kijken naar helicopterleren. Voor hun gevoel zijn er te veel mensen die in de sciences de diepte ingaan, en te weinig mensen die overzicht hebben over bijvoorbeeld wis – en natuurkunde. Ik vind het heel leuk dat de universiteit van Tokyo ons daarvoor gevraagd heeft, die universiteit behoort wel tot de top 10 van de wereld. En met IBM denken we over triangular learning, wat een beetje hetzelfde is. Bij IBM hebben ze behoefte aan mensen die niet alleen verstand hebben van ICT, maar ook de behoefte van klanten kunnen peilen en verstand hebben van financiën. Architecture mensen noemen ze die. Dat is dus een volgende ontwikkeling.
Buitenlandse studenten zijn vanuit hun cultuur niet altijd vertrouwd met de zelfwerkzaamheid en mondigheid die het PGO van ze vraagt, zo staat te lezen in het Strategisch Programma. Hoe komt dat?
Je ziet dat de westerse cultuur van leren wereldwijd duidelijk dominant is. Toch zie je wel grote verschillen tussen culturen, met name ook met zuidelijke landen en landen als China, waar het onderwijs gebaseerd is op het leren van feiten. Laat er geen misverstand over bestaan: in China weet men absoluut dat root learning uit is. Maar het is wat al duizenden jaren in de cultuur zit ingebakken, dus dat krijg je er niet zo gemakkelijk uit. We moeten niet vergeten dat de Chinese onderwijscultuur een meritocratie is. Het Chinese onderwijs onder de keizers had ook een emancipatorische functie: onder de keizers kon iedere Chinees, ook de eenvoudigste boerenzoon, staatsexamen doen om zich een positie als hoge ambtenaar te verwerven. Maar die examens waren wel gebaseerd op het leren van feitjes.
Ik heb ook nog een tijd in Bangladesh gewerkt, en heb daar ervaren hoe belangrijk het is namen te onthouden. Wij westerlingen onthouden geen namen. Wij leggen ons liever toe op analyse. Maar in landen als Bangladesh denken ze dat je niet intelligent bent als je geen namen kunt onthouden. Dat zie je in veel ontwikkelingslanden. Als mensen in dat soort landen willen gaan werken, raad ik ze altijd aan de basic facts over dat land van te voren uit het hoofd te leren: dat maakt indruk.
Met name masterstudenten zijn lang niet altijd enthousiast over PGO. Hoe gaat de UM daarmee om?
Het is waar dat niet alle masterstudenten en buitenlandse studenten PGO als ideaal zien. Wat dat betreft willen we met twee benen op de grond blijven staan. We zullen niet de hele wereld veroveren. Dat hoeft ook niet. Wel moeten we blijven vasthouden aan wat we weten over leren. Ook moeten we meer van voren af aan beginnen met PGO. Veel masterstudenten beginnen hier met verkeerde verwachtingen: ze verwachten toch meer disciplinair onderwijs. Maar dat hoeft helemaal niet: het Harvard Management Program is ook helemaal opgebouwd uit case studies, en dus wel vergelijkbaar met onze PGO- benadering.
Maar het is waar: sommige studenten hebben liever disciplinair onderwijs dan PGO. Daarom is het ook belangrijk dat wij studenten kunnen matchen. Wie hier komt studeren, moet passen bij het PGO-onderwijs. Dat heeft ook met rendementen te maken: de twee landen in Europa die de hoogste rendementen hebben, namelijk Engeland en Ierland, zijn tegelijk de enige landen die studenten selecteren. Ik houd het ministerie van Onderwijs dan ook voortdurend voor dat het voor het verbeteren van rendementen essentieel is dat je als universiteit mag bepalen of de student wel met jouw onderwijsbenadering matcht – ik spreek liever niet van selectie. Als een student eenmaal gematcht is, dan wil ik best garanderen dat zo’n student ook de eindstreep kan halen – tenzij hij natuurlijk zelf uitstapt. Ik zou daarover best een agreement met de overheid willen sluiten.
Waarom houdt u zo principieel vast aan PGO?
PGO was voor ons een herontdekking van hoe je echt moet lesgeven. Het is een omkering van een structuur die duizenden jaren vanzelfsprekend was. Doceren was leren. Dit is ontstaan in settingen waar niet echt over onderwijs werd nagedacht. Ik word altijd geïnspireerd door Maria Montessori, die al heeft laten zien dat het ook heel anders kan.
Ik kende PGO zelf eerlijk gezegd ook niet voor ik hier kwam. Maar door deel te nemen aan projectgroepen werd ik ook overtuigd van het goede van deze benadering. Binnenkort ga ik daarom weer eens langs bij de collegevoorzitter van de Canadese McMaster University, de universiteit die PGO geïntroduceerd heeft. Ook bezoekers zoals Kamerleden zijn er iedere keer weer enthousiast over.
Universiteiten moeten onderwijs en onderzoek combineren. Dat zie je al in de geschriften van Von Humboldt en Newton. Wat je ziet aan universiteiten is dat onderzoek heel snel dominant wordt. Wij vinden echter dat onderwijs op de eerste plaats moet staan. We zijn een researchuniversiteit, maar de research moet dienend zijn ten aanzien van het onderwijs.
Is het in die benadering niet passend om goed onderwijs te belonen?
Jazeker. Daarom pleiten wij ook voor prestatiebekostiging voor het onderwijs. Dat gebeurt nu al in het onderzoek: voor goede onderzoeksprestaties kun je geweldige sommen geld binnenhalen. Voor onderwijs heb je die beloning niet, wat heel frustrerend is voor docenten die uitstekend lesgeven en daar ook veel tijd insteken.
Nu wordt er vaak gezegd dat onderwijskwaliteit niet te meten is. Volgens mij valt dat wel mee. Want hoe je universiteiten ook rankt, er komt altijd hetzelfde uit. Daarom hebben we besloten dat we 5- 10% van ons onderwijsbudget op grond van prestatiemetingen over de opleidingen gaan verdelen. Daarbij moet je natuurlijk wel rekening houden met opinies van werkgevers, afgestudeerden, peers en de studenten zelf. Gelukkig blijken die in de praktijk allemaal onderling gerelateerd te zijn. Daar hoort ook bij dat je bereid moet zijn bepaalde opleidingen te sluiten, als blijkt dat die opleiding over meerdere jaren niet aan de normen voldoet. Natuurlijk roept zo’n maatregel ook weerstand op: faculteiten waar het slecht gaat nemen het niet in dank af als ze gekort worden op hun bekostiging, omdat dan het gevaar bestaat dat het nog slechter wordt. Dan denk ik: dank je de koekoek. Hadden ze maar beter moeten presteren. Deze maatregel heeft natuurlijk ook een extern aspect. Om die reden heb ik tegen het ministerie van Onderwijs gezegd dat wij best bereid zijn om intern te experimenteren met prestatiebekostiging.
Vorige week maakte de Universiteit Maastricht bekend dat zij het collegegeld van de 3% beste studenten vergoed, als middel om de kwaliteit van het onderwijs te stimuleren. Wilt u dat studenten in Maastricht harder gaan studeren?
Studenten in Maastricht werken al harder dan op welke andere universiteit in Nederland. Uit onderzoek blijkt namelijk dat studenten harder werken naarmate ze meer contacturen hebben. En in het PGO-systeem heb je nu eenmaal veel contacturen. Ook vind ik dat studenten niet te veel moeten werken naast de studie. Als een student meer dan 8 uur per week naast de studie werkt, dan zeg ik dat dat niet goed met PGO te combineren is. Voor ons is het van groot belang te weten of een student er wel of niet is. PGO is ondoenlijk als studenten af en toe al dan niet aanwezig zijn. Dat wil niet zeggen dat ik tegen nevenactiviteiten zijn. Nederlandse studenten doen heel veel naast de studie. Zo wordt in Maastricht een groot deel van de werving door studenten verzorgd, terwijl buitenlandse universiteiten daar officers voor hebben. Ik vind het heel goed dat Nederlandse studenten veel naast de studie doen, daar leren ze heel veel van. Maar voor de rendementen zou het wel beter zijn als studentbestuurders niet meegeteld worden voor de leerrechten. Ik snap best dat het moeilijk is voor een student die in een verenigingsbestuur gaat om zich uit te schrijven. Want als hij zich uitschrijft, verliest hij ook zijn positie als student. Maar voor onze rendementen zouden zulke studenten tijdelijk niet mee moeten tellen.
dinsdag, september 05, 2006
maandag, september 04, 2006
Opening Hogeschoolhaar 2006/2007 in teken van Passie
De opening van het Hogeschooljaar 2006/2007 stond in het teken van passie in het HBO. Het was een fantastische en inspirerende opening met zeer goede gastsprekers. Ik kan ze allemaal weer noemen en samenvatten maar dat doet geen recht aan hun bijdrage. Doekle, Esther, Jolanda en Klaar-Wybo; super bedankt voor jullie inspirerende bijdragen.
Verder natuurlijk een groot compliment ook naar de organisatie. Jelma en de mensen van het CHN congres en evenementenburo hartelijk dank!
Om te benadrukken dat het bij de CHN echt dominant om onderwijs draait hebben wij besloten om naast het financiele en het algemene jaarverslag ook jaarlijks een onderwijs jaarverslag uit te brengen. Tijdens de opening is dit onderwijsjaarverslag aangeboden aan Doekle Terpstra (voorzitter HBO Raad), Douwe Tamminga (voorzitter Raad van Toezicht) en Jacob Hartsuiker (voorzitter Hogeschool Raad).

Onderstaand treft u de speeches aan van de sprekers:
(alleen gesproken woord geldt)
---------------------------------------------
Welkomstwoord Robert Veenstra - voorzitter College van Bestuur
Opening Hogeschooljaar 2006/2007
Leeuwarden, 4 september 2006
Alleen gesproken woord geldt
Inleiding en welkom
“Passie in het HBO”. Dit is het thema dat in HBO Raad verband gekozen is als centraal thema voor de opening van het Hogeschooljaar 2006/2007. Een logisch vervolg op het thema bij het succesvolle jaarcongres van de HBO Raad; “Passie voor professie”, afgelopen april in de Beurs van Berlage zou je kunnen zeggen.
Dames en heren, van harte welkom bij de opening van het Hogeschooljaar aan de Christelijke Hogeschool Nederland. Het doet mij goed dat u met zo velen belangstelling heeft in wat onze prachtige Hogeschool bij de opening van een nieuw Hogeschooljaar en op een thema als passie heeft te melden.
Een speciaal welkom aan onze sprekers van vandaag. Het is een grote eer dat jullie willen bijdragen.
Doekle, voormalig staatssecretaris Mark Rutte gaf jou, in zijn afscheidsinterview met Science Guide, de kwalificatie 24 karaats mee. Voor mij ben je meer, ik zou je een zeldzame diamant willen noemen. Je maakt veel los in de sector, houdt de sector bij elkaar en zet het HBO op de kaart. Ik hoop dat je nog een tijdje voorzitter van de HBO Raad blijft.
Esther, je weet niet hoe trots wij bij de CHN waren toen wij vernamen dat jij verkozen was tot zakenvrouw van het jaar. Niet alleen trots omdat je aan de CHN hebt gestudeerd maar nog trotser omdat je je in de pers ook erg positief hebt uitgelaten over ons onderwijs en onderwijssysteem en dat niet alleen omdat je jou Willem ook hier hebt ontmoet. Willem, leuk ook dat jij bent meegekomen.
Jolanda, Leiderschap thema’s en vraagstukken hebben mij persoonlijk altijd heel erg beziggehouden. Mijn ontmoetingen met Stephen Covey en Jack Welch tijdens het laatste Franklin Covey leiderschap symposium was hierin wel een van de hoogtepunten. Jij verrast je publiek graag met jouw inzichten in leiderschapsontwikkelingen. Ik weet dat je ons vandaag ook weer gaat verrassen en boeien.
Alhoewel je een van ons bent Klaas Wybo, toch ook een speciaal woord naar jou. Wij besteden samen veel tijd met het discussiëren over thema’s als leiderschap, passie, verbinding, kwaliteit etc. Inspirerend en verfrissend zijn deze sessies. Ik ben er trots op met je te mogen werken!
Legitimering onderwerp passie
Dames en heren, in mijn introductie zei ik al dat het onderwerp passie in het hbo een logisch vervolg is op het HBO congres “Passie voor professie”. Ik zou me zo kunnen voorstellen dat u zich afvraagt waarom wij nu zo dominant ‘passie’ op de agenda zetten. Is het zo slecht gesteld met het Hoger Onderwijs in Nederland? Of gaat het zo slecht met de Christelijke Hogeschool Nederland?
Laat ik deze vraag eens plaatsen in een wat breder wetenschappelijk kader.
Op 31 maart 2005 schrijven de onderwijsvakorganisaties AOb, OCNV en CMHF/MHP, het platvorm Vakinhoudelijke Verenigingen VO en de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel (SBL) een open brief aan minister Maria van der Hoeven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Daarin pleiten zij voor een diepgaande dialoog met leraren en ander onderwijspersoneel. Onderwijs is een kennisintensieve sector. Investeren in personeel is investeren in de leerling.
Die open brief komt niet uit de lucht vallen. Zo pleit immers de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in “bewijzen van goede dienstverlening” in 2004 al voor de versterking van de positie en mogelijkheden van de professionals in onder meer het onderwijs. Die beroepsgroep weet welke innovaties en kwaliteitsverbeteringen mogelijk zijn en bovendien is die in staat die snel en daadwerkelijk in de praktijk in te voeren volgens de WRR.
De onderwijsministers van 25 landen (waaronder ook Nederland) onderschrijven in 2004 het OECD-rapport Teacher matter. De aantrekkelijkheid van het werken in het onderwijs, het stimuleren van de professionele ontwikkeling van leraren, het zorgdragen voor het vasthouden van goed personeel in het onderwijs staan in dat rapport centraal.
Generatie op generatie is afhankelijk van goed onderwijs. Daarom moet het vliegwiel van het onderwijs nu op een hoger toerental worden gebracht, zo stellen de onderwijsorganisaties in hun brief van 31 maart. “Onze organisaties willen zich inzetten voor het betrekken van leraren bij het ontwikkelen en invoeren van beleid, voor het ontwikkelen van leergemeenschappen van kenniswerkers, voor het bezielen en het professionaliseren van gekwalificeerd onderwijspersoneel. Daar moet iets tegenover staan, niet primair voor organisaties – maar voor werkenden: de aantrekkelijkheid van het beroep moet worden gezien, de mogelijkheden voor professionele ontplooiing binnen scholen, er moet oog zijn voor talenten en verschillen, voor ondersteuning bij het doen van ontwikkelingsonderzoek binnen de school, voor professionele autonomie en goede werkcondities.
In november 2005 schrijft vervolgens minister Van der Hoeven aan de Tweede Kamer: ”Het Nederlandse onderwijs beschikt over vakmensen, professionals die trots zijn op hun beroep. Deze mensen moeten niet alleen ruimte hebben om hun vakkennis en professionaliteit te onderhouden. Zij moeten ook veel meer kans krijgen hun bijdrage te leveren aan schoolontwikkeling en de innovatie in hun beroep. Leraren moeten het initiatief kunnen nemen tot discussie en vernieuwing. De tijd ‘over hen en zonder hen’ is voorbij. Dat is een boodschap voor de politiek, maar ook voor de onderwijsorganisaties, voor besturen en voor schoolleiders. “Geef de vakmensen uit het onderwijs de ruimte”, aldus minister Van der Hoeven.
Al met al was dus het klimaat er rijp voor om de zaak eens wat grootschaliger en indringender aan te pakken. Onder auspiciën van de Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel (SBL) wordt in de eerste helft van 2006 het project “Onderwijs aan het woord” uitgevoerd.
“Onderwijs aan het woord” geeft alle leraren en onderwijsondersteuners (een beroepsgroep van ca. 350.000 mensen) de kans om zich uit te spreken over wat zij belangrijk vinden voor hun doelgroep. Het is een groot nationaal onderzoek waarin de mening van alle onderwijsprofessionals wordt gevraagd over belangrijke onderwerpen in de dagelijkse praktijk van hun werk. Zij bepalen welke thema’s op de agenda komen. Zo kan het gesprek met de beroepsgroep van werkenden in het onderwijs op gang komen en inhoudelijk gevoed worden.
Uiteindelijk resulteert dit in een breed gedragen onderwijsagenda die eind juni formeel is overhandigd aan minister Maria van der Hoeven.
Ik geef u een aantal uitkomsten.
Werknemers in het onderwijs vinden het belangrijk dat zij hun werk goed kunnen doen, ze werken graag met leerlingen, willen zich veilig voelen, willen op hun collega’s kunnen rekenen en vinden het belangrijk om het gevoel te hebben dat hun werk belangrijk is.
Werknemers in het onderwijs zijn tevreden over het werken met de studenten en de waardering die ze van de studenten krijgen, de waardering die ze van collega’s krijgen en de waardering door ouders van de leerlingen.
De ‘dit moet echt beter’ punten hebben met name betrekking op de niet vlekkeloos verlopende onderwijsorganisatie, het personeelsbeleid dat te weinig gericht is op ontwikkeling en verbetering van het onderwijs, kennis delen, salaris, maatschappelijke waardering en waardering door het management.
Het onderzoek heeft ook een clusteranalyse opgeleverd waaruit vier profielen van werknemers onderkend kunnen worden.
- de enthousiaste starter – is enthousiast over zijn werk maar heeft er nog geen overduidelijk oordeel over ( 18%)
- de bevlogen stimulator - is de aanjager binnen de instelling, neemt collega’s mee op sleeptouw en stelt zijn ervaring
en kennis graag beschikbaar ( 31%)
- de betrokken criticus – is al langer werkzaam in het onderwijs en is vooral erg betrokken op de studenten en collega’s.
Zijn of haar tevredenheid neemt af en heeft prikkels nodig om zichzelf te ontwikkelen en verbeteren (31%)
- de kritische begeleider – is al langere tijd werkzaam in het onderwijs en heeft een kritische houding tav het onderwijs en
het werken in het onderwijs (14%)
- overig – 6%
Deze uitkomsten laten wat mij betreft een interessant licht schijnen op het thema “passie” waar ik later op terug zal komen.
Bij de discussie over het thema “passie” heb ik gemerkt dat het veelal ontbreekt aan een collectieve definitie van “passie”. Zeker is in ieder geval dat de term passie te pas en te onpas gebruikt wordt, een populair thema is en daarmee soms leidt tot verrassende plaatjes.
-allereerst wil ik u een foto laten zien van Mark Rutte in de hoedanigheid als lijsttrekker van de VVD met zijn woordvoerder en Ben Verwaayen die op weg zijn naar de persconferentie over verkiezingsprogramma van de VVD. Het onderschrift; Verwaayen verrast door ‘passie’ in de samenleving roept natuurlijk veel vragen en reacties op. Hoe kan een man als Ben Verwaayen, bestuursvoorzitter van Britisch Telecom en de grote motor achter het verkiezingsprogramma van de VVD zoiets nu zeggen. Ik heb de man erg hoog hoor, zijn optreden in NOVA die avond was erg sterk wat mij betreft. Maar hoe kan iemand nu verrast zijn, waarschijnlijk omdat hij al enige jaren in Groot Brittanie werkt en leeft.
-interessant is ook om de zoekresultaten van “passie” of “passion” op google te volgen. Met de dag nemen de zoekresultaten toe. En als je dieper kijkt zie je dat het woord passie of passion ook zeer divers en onheus gebruikt wordt.
Laten we dan toch voor het vervolg van mijn betoog eens stilstaan bij de betekenis van passie.
Een definitie van passie die mij erg aanspreekt is de definitie die Jack Welch, voormalig CEO van General Electric, hieraan in zijn boek winnen geeft.
“Met passie bedoel ik hartgrondige en authentieke geestdrift voor je werk. Mensen met passie zijn betrokken – tot in hun merg! – bij collega’s, werknemers en vrienden. Zij leren graag en groeien navenant en putten grote voldoening uit de aanblik van mensen om hen heen als die dat voorbeeld volgen. Het merkwaardige met gepassioneerde mensen is echter dat zij over het algemeen niet alleen warmlopen voor hun werk. Meestal hebben ze meer dan één passie! Ze zijn hartstochtelijk betrokken bij sport, of fanatieke supporters van hun alma mater, en anders zijn ze wel verslaafd aan de politiek.
Wat het object van hun passie ook mag zijn, dit zijn mensen die warmlopen voor het leven zelf”.
Van Dale stelt dat onder passie wordt verstaan: hartstocht, een ‘onstuimige’ (onweerstaanbare) drang van de ziel, een heftige gemoedsgesteldheid. Interessant is dat het woord afstamt van het Latijnse woord passio, wat lijden betekent. Dit verwijst volgens mij naar de heftigheid van het proces en ook het feit dat passie niet alleen maar leuk is. Passie kan je meesleuren, weghalen uit je comfortzone. Hiermee zou je ook nog kunnen betogen dat passie uit de ziel voortkomt. De ziel zou je kunnen omschrijven als de bron, of de wortel van waaruit we voortkomen, je zou kunnen zeggen: de kern van ons wezen. De ziel openbaart zich veelal als het vloeibare, minder gestructureerde, in onszelf: heftige gevoelens, hartstochtelijke begeerte, verlangen. De ziel is, zou je kunnen zeggen, de neerslag van onze levenshistorie, zowel individueel als collectief.
Omdat passie heftig is zijn we er vaak bang voor. Passie kan ons de controle doen verliezen en kan er de oorzaak van zijn dat de zaken uit de hand lopen. Daarom is er een traditie van het onderdrukken van passie. Maar het onderdrukken van passie heeft zijn prijs. In de eerste plaats is passie de bewegende kracht in ons leven. Het is de brandstof, de vitaliteit van ons bestaan. Zonder passie gebeurt er niet zoveel en wordt het leven vaak vlak en grijs. Maar bovendien laat passie zich nooit onderdrukken. Het komt er verkapt of in heftige vorm toch wel uit en dan lopen we het risico dat zulks gebeurt in destructieve vorm. Veel opera’s, romans en films laten dat zien. Deze laten veelal zien dat passie kan verworden tot eenzijdig fanatisme, een gedrevenheid die niet meer in verhouding staat tot de oorspronkelijke doelstelling. Waardoor de angst voor passie natuurlijk weer gevoed wordt en de cirkel is gesloten.
We moeten passie dus niet onderdrukken, maar er ons aan overgeven. Vergelijk het met kanovaren in een snelstromende rivier: daar moet je je ook aan overgeven. Maar niet zonder meer. In het proces van overgave kun je wel degelijk sturen, meegevend aan de stroom kun je voorkomen dat je op de rotsen loopt. Net als bijvoorbeeld skiën, paardrijden, zeilen, muziek maken. You can go with the flow en toch zelf vorm geven aan het proces. Kortom passie niet onderdrukken, maar ermee dansen.
Dames en heren, afrondend wil ik u graag meenemen in mijn visie op de verbinding tussen de analyse uit het eerste gedeelte van mijn betoog en de verdieping van het fenomeen passie uit het tweede gedeelte.
Natuurlijk zijn passie maar ook emotie belangrijke elementen in het functioneren van organisaties. Creativiteit geschiedt niet op afroep, noch bij decreet. Zij is de vrucht van gedreven alertheid en passie. We leven en werken immers niet meer in het industriële- maar in het kennistijdperk.
Je zou kunnen stellen dat je passie voor je werk hebt of, dat je het niet hebt,of dat passie gebonden is aan de fase waarin je leven zich bevindt. Dus is passie op individueel niveau dan wel te managen of moet je je richten op passievolle organisaties?
Het antwoord valt af te leiden uit de clusteranalyse en de vier profielen die dat heeft opgeleverd.
Door verschillende profielen te onderkennen ontstaat de mogelijkheid verschillende mensen gericht aan elkaar te koppelen. Bijvoorbeeld: de behoefte aan begeleiding en ondersteuning die de enthousiaste starter heeft, kan ingevuld worden door de kritische begeleider, die op zijn beurt gewaardeerd wordt en meer het gevoel krijgt dat zijn werk belangrijk is.
Maar ook zouden de bevlogen stimulator en de betrokken criticus aan elkaar gekoppeld kunnen worden. De betrokken criticus kan een bevlogen stimulator worden, maar heeft nog een duw in de rug nodig. De bevlogen stimulator is hiertoe prima in staat.
Passie dus niet als los en waardenloos begrip maar als basis voor een gedegen en zorgvuldig HR beleid. Niet een focus op het competentie denken maar een focus op de intrinsieke en complete mens, redenerend vanuit de talenten van de mens. Chemie tegenover de hormonen. Passie niet als losstaand kader maar ingevlochten in een brede dialoog in en tussen alle lagen van de organisatie. Open en kwetsbaar. Open your eyes, your heart, open your mind.
Of zoals een van mijn leermeesters Pieter Winsemius, in zijn tijd als principal bij McKinsey & Company altijd zei: ‘waarborg de constructieve ontevredenheid’ en bouw je HR beleid op de peilers will, skill, thrill. Met constructieve ontevredenheid bedoelde Pieter het prikkelen van de creativiteit door ‘de zaak op scherp te zetten’ zoals dat in het sportjargon heet. De bekende nummer 14, Johan Cruijff, is er bijvoorbeeld altijd een meester in geweest om het vuurtje op het juiste moment op te stoken.
Ik sluit af met een beschouwing van Harry Starren, directeur van de Baak Management Centrum.
De kunstenaar, heimelijk benijden wij hen. Om hun eigenzinnige gedrevenheid. Zichzelf als uitgangspunt nemend, de wereld als schouwtoneel. Een romantisch beeld dat al te vaak onjuist is, maar daarom niet minder hardnekkig. Die hardnekkigheid onthult de hunkering. In volle overgave een vak beoefenen en daarin excellentie bereiken. Originele kwaliteit die de vrucht is van individuele en collectieve creativiteit. Te mooi? Niet als ik passie goed versta. Het vraagt aandacht voor een niet te stuiten fenomeen. Professionals, en die zijn er steeds meer, zoeken standaarden die recht doen aan hun verlangen naar autonomie. Passie lijkt een voorwaarde voor succes.
Ik wens u een inspirerende bijeenkomst, ik wens u een passievol Hogeschooljaar, make it a masterpiece!
---------------------------------------------
Modern times op de hogeschool
het spanningsveld tussen efficiency en talentontwikkeling
Toespraak Doekle Terpstra, voorzitter HBO-raad
Opening hogeschooljaar 2006-2007 Christelijke Hogeschool Nederland
Leeuwarden, maandag 4 september 2006
Dames en heren,
Met genoegen lever ik vandaag een bijdrage aan de opening van het nieuwe hogeschooljaar bij de Christelijke Hogeschool Nederland. Met genoegen, omdat het voor mij als jongen van Friese komaf altijd prettig is om weer eens aan de andere kant van de Afsluitdijk te komen. Maar vandaag doet het mij vooral genoegen om hier te zijn bij de Christelijke Hogeschool Nederland, een zeer ondernemende en internationale georiënteerde hogeschool die er samen met de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden, het Van Hall Instituut, de Hanzehogeschool Groningen en de Hogeschool Drenthe voor zorgt dat het Noorden van ons land beschikt over uitstekend hoger beroepsonderwijs.
Zoals u in de uitnodiging hebt kunnen zien, luidt de titel van mijn betoog “Modern Times op de hogeschool”. De filmliefhebbers onder u hadden al begrepen dat deze titel een verwijzing bevat naar de film Modern Times, een klassieker die Charlie Chaplin maakte in 1936. De film gaat over een man, gespeeld door Charlie Chaplin, die in een fabriek onophoudelijk schroeven moet vastdraaien. In één van de meest hilarische scènes raakt hij bekneld tussen de tandwielen van een immense fabrieksmachine. Modern Times is niet alleen een bijzonder grappige film, het is tegen de achtergrond van het opkomend Fordisme in de Verenigde Staten ook een aanklacht tegen de excessen van een depersonaliserend moderniseringsproces.
Ik heb deze titel gekozen omdat ik mij zorgen maak over de weg die het Nederlands onderwijs is ingeslagen. Sinds de jaren negentig staat efficiency hoog op de agenda van de beleidsmakers in onderwijsbeleid. Dat is op zich een goed streven, maar het begint erop te lijken dat we daarin te ver zijn doorgeschoten. In het streven naar snelle en directe routes hebben wij een stelsel gebouwd waarin talent verloren gaat. Een aanzienlijke groep scholieren en studenten raakt bekneld tussen de tandwielen van het onderwijssysteem. Dat mogen we niet laten gebeuren. Het onderwijssysteem is er voor de individuele leerling. Dat moet altijd voorop blijven staan. “Machinery should benefit mankind”, luidt één van de bekende zinnen uit Modern Times.
Sterke stijging aantal studenten leidt tot roep om efficiency
Waar een studie in het hoger onderwijs tot de Tweede Wereldoorlog alleen was weggelegd voor de chosen few, nam de toegankelijkheid in de decennia ná de oorlog enorm toe. Universiteiten verloren hun elitaire karakter en veel meer mensen dan voorheen konden zich op hoger niveau ontplooien. In 1950 telde het hoger onderwijs ongeveer 60.000 studenten, netjes verdeeld over het wetenschappelijk onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. In een halve eeuw is dat aantal bijna vertienvoudigd. In 2003 bevolkten ruim 200.000 studenten de universitaire collegebanken en volgden 360.000 studenten een opleiding aan een hogeschool. Laten we bij alle kritiek die we tegenwoordig kunnen hebben op van alles en nog wat niet uit het oog verliezen welke stormachtige ontwikkeling het hoger onderwijs heeft doorgemaakt en welke enorm positieve gevolgen dat heeft gehad; zowel voor de maatschappij als geheel als voor de ontplooiingsmogelijkheden van individuele mensen.
Dat er door die enorme schaalvergroting zaken zijn veranderd in het onderwijs hoeft niemand te verbazen. Naarmate het aantal studenten opliep en de kosten die de samenleving moest opbrengen voor het hoger onderwijs stegen, nam de roep om efficiency toe. De eeuwige student werd verwezen naar het historisch rariteitenkabinet en in een aantal etappes werden korte en directe routes naar de eindstreep neergelegd. Onderwijs kost de belastingbetaler geld en daarom, zo luidt sinds de jaren negentig de overheersende moraal, moeten scholieren en studenten zo snel mogelijk op de juiste trein naar de eindkwalificatie worden gezet.
Op zich is deze redenering zeer valide. Voor een flinke groep studenten werkt het bovendien goed. Voor wie netjes volgens het spoorboekje studeert hebben wij een prima onderwijssysteem. Maar er is ook een groep voor wie het in de praktijk allemaal wat anders loopt dan het stelsel voor hen bedacht had. Volle kracht rechtvooruit op het juiste pad is niet altijd mogelijk. Soms moeten mensen even pas op de plaats maken, of via een andere route de weg naar het doel vinden. Soms komen mensen terwijl ze onderweg zijn tot de ontdekking dat ze hun doel willen verleggen. Zo gaat het nou eenmaal in een mensenleven. Leren is geen lineair proces dat zich tot in detail in een plan laat vangen. Sommige scholieren zijn gebaat bij een jaartje zittenblijven om daarna de draad weer op te kunnen pakken. Maar ‘zittenblijven’ is in het huidige systeem ongewenst. Anderen ontdekken in de loop van hun studietijd dat ze meer in hun mars hebben dan ze oorspronkelijk dachten en willen doorstuderen. Maar het ‘stapelen’ van diploma’s wordt ontmoedigd. In ons streven naar efficiency houden we soms onvoldoende rekening met de realiteit. Nu wij in Nederland op korte termijn geconfronteerd worden met een tekort aan hoger opgeleiden, dreigt de wal het schip te keren. Ik kom daar zo op terug.
Verbindende schakel ontbreekt
We hebben het kraakbeen tussen de verschillende onderdelen van ons onderwijsstelsel weggesneden. En in een gewricht waarin het kraakbeen ontbreekt schuren de botten hard langs elkaar. En dat doet heel erg pijn, weet iedereen die dit aan de lijve ondervindt. De beperkingen van het stelsel laten zich over de volle breedte van het onderwijsveld voelen. In het voortgezet onderwijs is de doorstroming van vmbo naar havo en van havo naar vwo moeilijk. Vmbo-scholieren moeten vroegtijdig een vakkenpakket kiezen. Doorstromen naar de havo wordt daardoor vaak lastiger. Inmiddels is het percentage vmbo-scholieren dat doorstroomt naar de havo gedaald naar 6%. Door de invoering van het studiehuis is de aansluiting tussen de havo en het vwo moeilijker geworden. Vroeger stroomden ongeveer 16% van de havisten door naar het vwo. Sinds de invoering van het studiehuis in 1998 is dat percentage gedaald naar 3 tot 4%. Op een vergelijkbare manier stagneert de doorstroom van het vmbo naar het mbo.
Ook in het mbo en het hbo ontbreekt vaak de verbindende schakel tussen de verschillende onderdelen. Vlak voor de zomer sprak ik een aantal jongens die onlangs zijn uitgeroepen tot jonge hbo-ondernemers van het jaar. Ze vertelden dat ze allemaal een mbo-opleiding volgden voordat ze naar het hbo gingen. Op het mbo deden ze het prima, maar op de hogeschool hadden ze het stuk voor stuk erg zwaar in het begin. Het kennisniveau ligt er hoger dan ze gewend waren en ze hadden moeite om te wennen aan de andere manier van studeren. Ze hebben enorm moeten aanpoten om aan te haken. Zij gaven aan, dat ze in die periode graag meer begeleiding hadden gehad. Als dat voor deze succesvolle studenten al geldt, zal dat voor een heleboel andere studenten ook gelden. Intensieve begeleiding blijkt soms nodig om nieuwe studenten hun draai te laten vinden.
HBO-studenten die na het behalen van hun bachelordiploma hun studie willen vervolgen met een masteropleiding worden geconfronteerd met verschillende obstakels. Zij moeten bijvoorbeeld een schakeljaar volgen om zich te kwalificeren voor een universitaire masteropleiding. Dat traject is niet alleen tijdrovend, maar voor de student in kwestie bovendien uitermate kostbaar omdat het niet gefinancierd wordt door de overheid. Vaak is de route van een hbo-bachelor naar een wo-master bovendien onlogisch, omdat de meeste hbo-studenten bewust hebben gekozen voor een beroepsgerichte opleiding. Zij willen zich liever verdiepen tot hoogwaardige beroepskrachten dan een wetenschappelijke opleiding volgen waarmee zij zich verbreden. De arbeidsmarkt schreeuwt om hoogwaardig opgeleide vakmensen. Ik hoop dat het komende kabinet deze blinde vlek snel wegwerkt door meer hbo-masteropleidingen te bekostigen.
Scholings-top over kennistekort
Laten we na deze korte schets van het onderwijsstelsel eens kijken naar de situatie op de arbeidsmarkt. Zoals u waarschijnlijk weet, heeft de HBO-raad in het voorjaar samen met de Raad voor Werk en Inkomen een onderzoek uitgevoerd naar de aansluiting tussen het opleidingsniveau in Nederland en de vraag op de arbeidsmarkt. De resultaten die wij in mei presenteerden waren alarmerend. Uit vergelijkingen die de OESO maakte van het opleidingsniveau in verschillende landen blijkt dat Nederland z’n internationale toppositie aan het verliezen is. We glijden af naar de middenmoot. Het opleidingsniveau in ons land stijgt wel, maar die stijging blijft achter bij de onstuimige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Uit de berekeningen van de HBO-raad en de RWI blijkt dat er in 2010 ongeveer 75.000 hoger opgeleiden te weinig zijn om te voorzien in de vraag. Maar zover zal het niet komen. Nu al kunnen banken, metaalbedrijven en overheidsinstellingen sommige vacatures niet vervullen. En als bedrijven in Nederland geen mensen kunnen vinden, wijken ze uit naar het buitenland. Daarmee gaat structureel werkgelegenheid verloren. Het tekort aan hoger opgeleiden is daarom geen probleem van morgen, maar een probleem van vandaag. Op langere termijn is dat een uitermate bedreigend perspectief.
Op dit punt komt mijn eerdere verhaal over het te rigide onderwijsstelsel weer om de hoek kijken. We hebben iedereen hard nodig, maar we morsen talent en verzuimen dat talent weer op te rapen en weer op weg te helpen. Dat kunnen we ons niet permitteren. Ons land staat voor een aantal stevige uitdagingen. We moeten onze internationale concurrentiepositie verstevigen en de sociale cohesie in grote steden en elders in de samenleving versterken. Verhoging van het kennisniveau is daarbij een voorwaarde. Het hoger beroepsonderwijs speelt hierin een cruciale rol. Hogescholen hebben dit onderwerp daarom benoemd tot één van de pijlers van de strategische agenda voor de komende kabinetsperiode. Ik zeg daar nadrukkelijk bij dat het niet de bedoeling is dat straks iedereen in ons land rondloopt met een diploma van een hogeschool of universiteit op zak. Ook vakmensen met een opleiding op lager of middelbaar niveau zijn onmisbaar voor het goed functioneren van de maatschappij. We hebben er niks aan om elke student te kneden tot eenzelfde soort ‘ideaaltypische’ medewerker. We hebben behoefte aan diversiteit, veelzijdigheid en veelkleurigheid. Voor ons, onderwijsinstellingen, is het de kunst om de uniciteit van elk talent als uitgangspunt te nemen en die talenten tot ontwikkeling te brengen.
De vraag hoe het beleid van het komende kabinet er op hoofdlijnen uit zou moeten zien staat centraal tijdens een Scholings-top die dit najaar wordt gehouden op initiatief van de HBO-raad en de Raad voor Werk en Inkomen. Daarbij zijn naast vertegenwoordigers van het brede onderwijsveld ook sociale partners, politiek, overheden en het Innovatieplatform aanwezig. Binnen het onderwijsveld werken het voortgezet onderwijs, de BVE-raad, het COLO, de HBO-raad, de VSNU en de Onderwijsraad op dit moment samen aan de ontwikkeling van een gezamenlijke visie op de speerpunten van beleid.
Beheersing van Nederlands, Engels en rekenen
Hoewel op dit moment uiteraard nog niet duidelijk is wat de Scholings-top gaat opleveren, wil ik wel vast iets zeggen over de richting die we in mijn ogen zouden moeten inslaan. Ten eerste moet er meer ruimte komen voor individuele verschillen tussen leerlingen. Meer horizontale ontwikkelingsruimte, noem ik dat. Dat betekent aan de ene kant meer ruimte om te excelleren; speciale groepen vormen waarin bijzonder getalenteerde scholieren en studenten het beste uit zichzelf kunnen halen. Aan de andere kant betekent dat extra mogelijkheden voor leerlingen die minder voortvarend leren om het onderwijs in eigen tempo te doorlopen. Meer differentiatie doet meer recht aan de werkelijkheid dan nu het geval is.
Ten tweede moet er aandacht zijn voor vertikale doorstroming. Meer mbo-studenten moeten bijvoorbeeld na het behalen van hun diploma makkelijker kunnen doorstuderen in het hbo. In de praktijk blijkt dat het voor een aanzienlijke percentage van hen niet eenvoudig is om de stap naar het hbo in één keer te zetten. Vaak vormt onvoldoende beheersing van het Nederlands, Engels en/of onvoldoende rekenvaardigheid een belemmering. Anderen moeten wennen aan de andere wijze van studeren in het hbo. Relatief veel allochtone studenten blijken gebaat bij intensieve begeleiding tijdens de overgang van mbo naar hbo.
Aandacht voor verdere scholing van werkenden (en werklozen) in het kader van ‘Een leven lang leren’ is het derde punt waaraan de deelnemers aan de Scholings-top aandacht zullen besteden, als het aan mij ligt. Het kabinet en sociale partners moeten zorgen voor de benodigde faciliteiten. Hogescholen en andere instellingen moeten het flexibele en gevarieerde aanbod ontwikkelen dat nodig is om te voorzien in de vraag van deze groep studenten.
De rol van docenten
Na deze bespiegelingen over het onderwijsstelsel wil ik graag iets zeggen over een onderwerp waarover tegenwoordig veel discussie is: de rol van docenten. Doordat de rol van hogescholen in het afgelopen decennium veranderd is, is ook de rol van docenten veranderd. Zij dragen kennis niet alleen over op studenten, maar ook op bedrijven en instellingen. Zij brengen studenten vaardigheden bij die zij in de praktijk nodig hebben om goede vakmensen te zijn. Zij onderhouden nauwe relaties met de beroepspraktijk en integreert actuele ontwikkelingen in het onderwijscurriculum. Zij helpen relaties in het werkveld bij de oplossing van strategische vraagstukken, soms op basis van onderzoek. Hogescholen zetten daarom in op versterking van de onderzoeksvaardigheden van docenten.
Docenten reageren verschillend op deze nieuwe rol. Aan de ene kant spreek ik regelmatig docenten die dit proces van professionalisering enorm inspirerend vinden en met veel energie en toewijding de relaties met het bedrijfsleven versterken en er plezier in beleven om studenten te stimuleren zich ondernemend op te stellen. Deze groep voelt zich uitgedaagd en profiteert van de ruimte die er ontstaat om nieuwe initiatieven te ontplooien. Aan de andere kant ontmoet ik docenten die zich niet op hun gemak voelen bij deze ontwikkeling. Ze hebben het gevoel dat zij niet langer ongehinderd het ambacht van docent kunnen uitoefenen op de manier zoals zij dat vroeger deden en dat hen de vrijheid wordt afgenomen om zelf te bepalen wat er in de klas gebeurt. Ik denk dat deze angst voortvloeit uit onzekerheid. Als je jarenlang op een bepaalde manier lesgeeft en dan anders moet gaan werken heb je tijd nodig om uit te vinden wat er precies van je verlangd wordt en hoe je dat kunt doen. Ik heb daar alle begrip voor en vind dat hogescholen de plicht hebben om docenten hierbij goed te ondersteunen. De docent is en blijft de belangrijkste sleutel tot kwaliteit.
Geen begrip heb ik voor docenten die hun eigen organisatie de rug toekeren en de alleenheerschappij opeisen in de klas, alsof dit hun eenpersoons koninkrijkje is. We zijn het aan studenten verplicht om binnen de hogeschool goede afspraken te maken over de inhoud van het curriculum van een opleiding. Studenten hebben er recht op om aan het begin van een module te horen hoe het programma eruit ziet, waarop zij aan het einde beoordeeld zullen worden en op basis van welke criteria dat gebeurt. Om de kwaliteit te waarborgen en om te zorgen dat het onderwijs actueel blijft zal er regelmatig geëvalueerd moeten worden. Het is een illusie om te denken dat iedere docent in z’n eentje kan bedenken hoe het moet. Docenten, managers, stafmedewerkers en bestuurders moeten heldere afspraken met elkaar maken en elkaar daarop kunnen aanspreken.
Hand in eigen boezem
Het thema van dit verhaal is het spanningsveld tussen efficiency en talentontwikkeling. Dat spanningsveld bestaat niet alleen binnen ons onderwijsstelsel als geheel, maar ook binnen de afzonderlijke instellingen. De normen die vanaf het begin van de jaren negentig in steeds hoger tempo vanuit Den Haag zijn losgelaten op de sector, zijn doorgedrongen tot in de porieën van de afzonderlijke hogescholen. U bent verplicht jaarlijks verantwoording af te leggen over elke Euro die u uitgeeft. Het accreditatiewezen zit u dicht op de huid. U moet op ieder moment aan iedereen die daar naar vraagt kunnen laten zien dat onderwijs van hoge kwaliteit bij u hand in hand gaan met hoge rendementscijfers. Dat kunt u alleen doen als u elke beweging die plaatsvindt in kaart brengt en vastlegt. Tegelijkertijd bent u bezig om een ingrijpend vernieuwingsproces vorm te geven. Ik geef het je te doen. Dat kan niemand alleen. Daar heb je elkaar voor nodig.
Onvermijdelijk hebben de normen die Den Haag aan het onderwijs heeft opgelegd gevolgen gehad voor de interne organisatie van hogescholen en andere onderwijsinstellingen. Om aan de efficiencynormen te kunnen voldoen zijn processen gestandaardiseerd, om de gevraagde rapportages te kunnen leveren zijn omvangrijke en complexe informatiesystemen in het leven geroepen die dagelijks bijgehouden moeten worden. Misschien zijn we daarin te ver doorgeschoten. Als dat zo is, moeten we onze ogen daar niet voor sluiten maar rechtzetten wat krom is. Als er sprake is van onnodige bureaucratie die het onderwijs of het onderzoek in de weg staat dan moeten we daar liever vandaag dan morgen verandering in brengen. Er is soms kritiek op de kwaliteit van het onderwijs. Die zou te lijden hebben gehad onder alle aandacht voor de nieuwe taken van het hbo. Naar die kritiek moeten we goed luisteren en als die terecht is moeten we die ter harte nemen.
Het is goed om kritisch naar het eigen functioneren te kijken. Maar daarbij is het wel zaak om de hand in eigen boezem te steken en vooral te kijken naar wat je zelf kunt verbeteren. Het heeft geen enkele zin om steeds naar een ander te wijzen. Ik heb mij daarom ontzettend gestoord aan recente uitlatingen van bewindslieden in Den Haag die proberen hun eigen straatje schoon te vegen door met de beschuldigende vinger te wijzen naar bestuurders en managers. Ik vind dat veel te gemakkelijk en bovendien getuigen van politiek opportunisme waar de sector niet bij gebaat is.
Politiek moet kleur bekennen
Ter afsluiting van mijn verhaal wil ik kort iets zeggen over de verkiezingen die in november gehouden worden. Sinds ik ruim een jaar geleden begon als voorzitter van de HBO-raad, heb ik in Den Haag veel met politici gesproken over het onderwijs in het algemeen en over het hoger beroepsonderwijs in het bijzonder. In al die gesprekken kwam naar voren dat versterking van de kenniseconomie één van de belangrijkste onderwerpen is op de politieke agenda van ons land. Ook toonden vrijwel alle gesprekspartners zich onder de indruk van de innovatieve impuls die vanuit het hbo uitgaat in de richting van het bedrijfsleven, de non-profitsector en de overheid. Maar tot nu toe is het vooral bij lippendienst gebleven. Het bedrag dat de overheid per student beschikbaar stelt is in de afgelopen tien jaar met tien procent gedaald. Een aantal maanden geleden stelde het kabinet een extra bedrag ter beschikking van het hoger onderwijs en presenteerde dat stoer als een belangrijke investering in het hoger onderwijs. In werkelijkheid was het bedrag net hoog genoeg om verdere daling van de prijs per student te voorkomen. Van herstel is nog steeds geen sprake, laat staan van groei. Ons land investeert aanzienlijk minder in onderwijs dan de landen waaraan wij ons qua economische ontwikkeling zo graag spiegelen.
Met de verkiezingen en een kabinetsformatie op komst moeten de politieke partijen kleur bekennen. Dit is het moment waarop zij kunnen laten zien dat zij serieus van plan zijn om allochtone scholieren die zich een weg omhoog willen knokken te steunen. Dit is het moment waarop zij kunnen laten zien wat het hen waard is om docenten de ruimte te geven om studenten te begeleiden in hun stage of samen met bedrijven en instellingen te werken aan verbetering van het onderwijs. In de komende maanden zullen wij zien welke partijen losse flodders blijven afschieten vanuit de coulissen en welke partijen samen met het veld aan de slag gaan om écht werk te maken van het hoger beroepsonderwijs. We houden het in de gaten.
Ik wens alle studenten, medewerkers en relaties van de Christelijke Hogeschool Nederland een inspirerend jaar toe. Dank u wel voor uw aandacht.
---------------------------------------------
Klaas-Wybo van der Hoek (vice voorzitter CvB)
Prestatie als product van passie: naar een nieuwe nieuwsgierigheid.
(Opening Hogeschooljaar, CHN, Sept. 4, 2006.)
Geachte gasten, studenten, dames en heren, collega’s,
Aan het begin van dit hogeschooljaar is het goed stil te staan bij de prestaties die wij leveren en moeten leveren in het hoger onderwijs en in de CHN in het bijzonder.
Mijn stelling is dat goede prestaties zonder passie, hartstocht, gedrevenheid, volledige toewijding niet tot stand komen. En helemaal niet in onze ‘people’s business’, die het onderwijs is.
Om mij heen in onze CHN zie ik gelukkig veel passie en goede prestaties. Maar soms zie ik ook wel dat er wel een tandje bij mag, een puntje op de i of een tafje meer pit.
Ik ben er trots op om in het onderwijs en in onze CHN te mogen werken. Wij vergeten het nog wel eens in het dagelijks gewoel gestress om de deadlines van roosters, moduulboeken en toetsvragen, maar wij leiden de elite van morgen op: de smaakmakers, de managers en de leiders. In “Huize Avondrood” moeten wij straks erop kunnen vertrouwen dat onze alumni de wereld nog veilig door laten draaien. Onze studenten komen in onze hogeschool met hun dromen over hun leven, hun toekomst. Wij zijn hun ‘dream catchers’.
Daarom beschouw ik onderwijs ook als het krachtigste instrument om mensen en samenlevingen te ontwikkelen en te vormen. Nelson Mandela, een icoon van onze collega’s op de CHN-site in Port Alfred (Zuid Afrika) en ook voor ons hier, verwoordt dat passievol en inspirerend: ‘Education is the most powerful weapon I know.’ Onderwijs en kennis zouden toch sleutels voor een veiliger en vreedzame wereld moeten zijn.
Onze prestaties in het Hoger Onderwijs van na de Tweede Wereld-oorlog zijn indrukwekkend. In de VS is het aantal afgestudeerden meer dan zeven keer zo groot (tot boven de mijloen) en in Nederland zelfs vijftien keer meer (tot boven de 85.000), terwijl het aantal mensen in dezelfde periode ongeveer verdrievoudigde.
Het deel van de beroepsbevolking dat deelneemt aan Hoger Onderwijs neemt ook toe. Daarbij moet wel worden aangetekend dat Nederland het wat slechter doet in de statistieken dan vergelijkbare landen. In deze tijd van mondialisering doet Nederland het met het aantrekken van buitenlandse studenten en het uitsturen van Nederlandse studenten naar het buitenland beduidend minder goed. De CHN doet het zeer goed met 12% buitenlandse studenten (inclusief de geregistreerde studenten op de buitenlandse sites) en bijna 8% uitgaande studenten, vooral dankzij de Grand Tour® en de stages in het buitenland.
De ambitie van de Europese Unie is om in 2010 zo’n 50% van de beroepsbevolking hoger opgeleid te hebben. Het moet dus nog wel een tandje hoger en er mag nog een tafje bij.
In onderwijsland is het intussen niet alles pais en vree.
De afgelopen jaren hebben velen zich bekend tot het zogenaamde nieuwe leren. Vooral op middelbare scholen is dit met de Tweede Fase ingevoerd. De leerling wordt centraal gesteld. Het motto is: “De leerling moet door de leerstof en niet de leraar.” Overigens al een gedachte die je bij Socrates vindt met zijn “techne majeutike”, de vroedvrouwenmethode: de docent moet stimuleren dat de kennis en het inzicht geboren worden.
De filosoof Ad Verbrugge heeft met de classica en zijn vrouw Marijke Breeuwsma en anderen, zoals Arnold Heertje en Paul scheffer, de BON opgericht: de vereniging Beter Onderwijs Nederland. Kort samengevat luidt hun programma: gooi het klassikaal onderwijs niet weg, breng de oude schooltypen terug (bv. MAVO en ambachtschool), verdedig de zwaar bevochten diploma’s en weg met die uitdijende managementlaag! De leraar als alleenheerser in zijn klas wordt zo’n beetje in ere hersteld. Aandacht wordt gevraagd voor de resultaten uit onderzoek uit de VS en Engeland, waaruit zou blijken dat minder intellectueel begaafde kinderen en kinderen uit lagere sociaal-economische bevolkingsgroepen door het leren leren-concept tussen wal en schip geraken.
Wij weten wel dat Verbrugge’s kritiek vooral gaat over het voortgezet onderwijs, maar deze richt zich in de kern toch op de constructivistische visie op leren. En daarin kunnen wij de Verbrugges van deze wereld toch geen gelijk geven. De wereld bestaat niet meer uit de knusse Zeeuwse school, waar Verbrugge kennis maakte met de overzichtelijkheid van de jaren zeventig. De wereld en vooral het wereldbeeld van jongeren is echt veranderd. Natuurlijk zijn er genoeg elementen in de tijdgeest waarin wij ons als levensbeschouwelijk gerichte CHN niet kunnen vinden. Maar we kunnen de wereld niet verzaken of buitensluiten. En om deze nou alleen door de cultuur-pessimistische bril van Verbrugge te zien, gaat ons te ver. Uit onderzoek blijkt dat onze sociaal constructivitische aanpak vruchten aflevert: werkgevers zeggen in meerderheid dat onze afgestudeerden het beter doen als beginnende beroepsbeoefenaren bij het oplossen van problemen en het handen-uit-de-mouwen-steken dan afgestudeerden van opleidingen met de klassieke aanpak. En uit onderzoek van een van onze master’s studenten, Lintje Soejohno, valt af te leiden dat onze PBL ‘cultural fair’ is. Weliswaar scoren onze studenten uit Zuid Oost Azië in het eerste jaar slechter dan hun Nederlandse collega’s, maar in het derde jaar doen zij het beduidend beter dan hun Nederlandse medestudenten.
Overigens is er wel iets aan de hand in het onderwijs. Het heeft geleid tot de Beleidsagenda voor de lerarenopleidingen, vooral omdat de basisschoolleerlingen niet goed zouden leren lezen en rekenen. Met de implementatie ervan zullen wij een stevige uitdaging, ook financieel, hebben. Niet alleen in Nederland laait het debat hoog op In Frankrijk en Duitsland wordt bijvoorbeeld ook stevig geklaagd over het niveau van het onderwijs. Ik vind de Amerikaan Derek Bok, emeritus-hoogleraar van Harvard, de nummer 1 universiteit volgens Newsweek van vorige week, de meest interessante en doorwrochte kritiek leveren. In zijn net uitgekomen boek ‘Our underachieving colleges, a candid look at how much students learn and why they should be learning more.’ (2006) legt hij de nadruk op het ontbreken van een goede visie op leren en studeren in het hedendaagse hoger onderwijs. Bok geeft niet alleen aan dat en hoe het academische niveau van scripties omhoog moet en kan, maar gaat tegelijkertijd in op de bredere vorming van onze graduates in hoofdstukken ‘Learning to communicate’, ‘Learning to think’, ‘Building Character’, ‘Preparation for Citizenship’. ‘Living with Diversity’, ‘Preparing for a Global Society’, en ‘Acquring Broader Interests’.
Vanuit Bok kunnen wij de punten die de beweging Beter Onderwijs naar voren brengt ook op een genuanceerde manier een plaats geven. Ook onze ervaringen met de culturen en onderwijstradities in de landen van onze sites, Qatar, Zuid Afrika, Thailand en straks hopelijk China nodigen ons uit tot bezinning.
Wij zullen onze sociaal constructivistische benadering niet verlaten, integendeel daar is in binnen- en vooral buitenland veel belangstelling voor. Wij zullen deze echter de komende tijd wel moeten evalueren en op enkele onderdelen herijken. Als PBL University kunnen wij onze oren niet sluiten voor het maatschappelijke debat. Wij kunnen van de kritiek op “het nieuwe leren” leren en ons eraan scherpen. Voor een deel gebeurt dat impliciet in het grote programma “Kwaliteitsimpuls 2006”, waarvan we de producten de komende maanden de resultaten zien.
In noem in algemene zin, en niet uitputtend, enkele punten waaraan graag extra aandacht besteden.
• Allereerst vraagt ons PBL-systeem het nodige onderhoud: een goede training en opfriscursussen voor tutoren, taakschrijvers en toetsensamenstellers. Daar moeten we meer in investeren.
• We zullen absoluut prioriteit moeten geven aan het terugdringen van de uitval en het verhogen van de rendementen. Studenten die het om welke redenen laten afweten, zullen we veel eerder aan moeten spreken. “Leren leren” en “De student centraal” kunnen natuurlijk niet synoniemen zijn voor laat maar leren zwemmen zonder kurkken of laat maar waaien.
• Het moderne onderwijs lijdt onder het absolverend toetsen. Je krijgt één keer een bepaald onderdeel en sluit dat af met een toets. In een van mijn eerste managementfuncties in het onderwijs was er een docent –type passievolle en gedegen vakman- die mij stalkte met zijn opmerking: “Ik ben heel enthousiast over je onderwijsvernieuwing, Klaas-Wybo, maar de studenten oefenen niet meer. Bij bepaalde onderdelen heb je routine, ambachtelijkheid nodig: die leren wij ze niet meer aan.” De laatste twee, drie jaar moet ik voor onze beide zonen –type luie, maar calculerende voorhoedespelers- ongeveer elke rapportenspreekuur bij hun lerares Frans op rapport komen. “Woordjes leren, meneer Van der Hoek, blijft woordjes leren. Dat kan ik niet spannerder maken.” Ik knik dan maar plaatsvervangend schuldbewust en denk die docent van toen had inderdaad meer gelijk dan ik destijds dacht.
• In het verlengde daarvan zullen wij nagaan of al het vaardigheidsonderwijs eigenlijk wel zo goed in het PBL-systeem past. Wij zijn daarom blij dat we nu invulling geven aan het Language Center, dat op de “Dag van de Europese Talen”, dinsdag 26 september 2006, officieel geopend wordt.
• Een belangrijke tendens in het hoger onderwijs is –helaas vaak ingegeven door budgetverminderingen- de afname van het aantal contacturen tot onder een absoluut minimum. Dat is heel slecht. De studie staat bij de studenten mede daardoor niet meer op de eerste plaats in de agenda. In de concurrentie met andere activiteiten staan wij op zijn best op plaats twee of drie. Onze ambitie is om de studie –bezig zijn met je vak, je passie- weer nummer één te krijgen. We moeten een nieuwe nieuwsgierigheid wekken bij onze studenten. In dit streven past het om te bezien hoe we gegeven de randvoorwaarden het aantal contacturen weer bescheiden kunnen laten toenemen. Wat dat betreft kijken wij ook een beetje verliefd naar de uitwerking van ons onderwijsconcept bij de opleiding P&A, waar de ontmoeting met de school en de docent behoorlijk intensiever is geworden
• Ook is de slinger in sommige opleidingen misschien wel wat doorgeslagen naar algemene vaardigheden. Op enkele plaatsen is ons docentenbestand wellicht teveel in die richting ontwikkeld. Samen met de Kenniskringen en onze lectores moeten we de expertises weer een goede plaats geven in onze CHN.
Als wij zo’n goede PABO hebben, dan moet het “Even Leeuwarden bellen” worden, als je een rekenprobleem in je basisschool tegenkomt.
Als wij de beste Hoge Hotelschool hebben, dan moet men daar alles weten over yield management: “Even Leeuwarden bellen.” Of Doha, Port Alfred of Bangkok dus.
Als wij zo’n bijzondere opleiding Creatieve Therapie hebben, moet het werkveld bij ons te rade gaan over de herpositionering van het vak: “Even Leeuwarden bellen.”
En als wij zo’n bijzondere P&A hebben, dan wordt het “Even Leeuwarden bellen” bij sociale innovatie in je bedrijf of instelling.
Bij de CHN zijn de experts, die knallende colleges geven, aanstekelijke artikelen afleveren of broeden op boeiende boeken.
Ik wil graag onze benadering –de sociaal constructivistische- duidelijker verbinden met de klassiek academische traditie. Wij zien de passie van zowel de mensen van het nieuwe leren als die van Beter Onderwijs Nederland. Wij roepen de verhitte debaters wat meer die passie bij elkaar te ontdekken en te erkennen. In een synthese van beide benaderingen dienen wij het onderwijs het beste. Het goede uit ons onderwijsconcept en waardering voor het goed uit de traditie. Laat ik het even eenvoudig als “Het goede leren” voorstellen.
En als antwoord aan alle karikaturisten van de anti-Nieuw leren-beweging zou ik zeggen: de Belastingdienst kan het makkelijker maken, maar wij inderdaad niet.
Graag warm ik mij aan de passie van iemand uit de Renaissance, Leonardo da Vinci: een veelzijdige kunstenaar en mens. Uit zijn biografie van blijkt dat hij leren centraal stelde: geduldig ambachtelijk oefenend en tegelijk bijvoorbeeld als innovatie met olieverf werkend. En een “Homo universalis”: het ideaalbeeld uit de Renaissance. Da Vinci en Michelangelo spelen niet voor niets een rol in de reizen van de Grand Touristen. En niet voor niets verwijst onze Grand Tour® naar die tijd en die iconen.
Wij willen niet in het verleden blijven hangen, maar een eigentijdse vorm vinden voor onze CHN. Natuurlijk zullen wij aan moeten sluiten bij de passies van studenten. Wij zien een nieuwe nieuwsgierigheid in de Student Zappiens. Door gebruik te maken van zijn nieuwe strategieën van informatieverzamelen en –verwerken kunnen wij de tijd dat een student met zijn studie bezig is, uitbreiden. En onze ervaring is dat onze moderne versie van de Grand Tour® tot de verbeelding spreekt van jonge mensen en hun ouders.
Een belangrijke uitdaging zal liggen in het versterken van het niveau. Voor bijna alle middelbare scholieren is er maar een waarheid: een opvatting of theorie. Je hoort hen vaak vragen en eisen: wat moet ik nu precies leren en vertel maar precies hoe het zit. De schok voor hen in de overgang naar het hoger onderwijs is groot, als blijkt dat er meer theorieën zijn. Wij zullen steviger op deze academische uitdaging moeten ingaan.Dat betekent wij in samenwerking met onze lectores het gesprek met de opleidingen aan zullen gaan om de onderzoekscomponent in de curricula te stroomlijnen en te versterken.
Tot slot als product van ons werk zijn wij er trots op dat “Even Leeuwarden bellen” erin heeft geresulteerd dat Janos Damon, een gepensioneerde General Manager uit Israel, graag zijn Tourism4Peace Conference op de CHN houdt eind oktober/begin november van dit jaar. In dit Forum Tourism4Peace zijn leiders actief uit de tourism en hospitality-wereld in vier landen: Jordanië, Egypte, Palestina en Israël Zij willen hun landen en de wereld duidelijk maken dat geweld en oorlog niet helpen om communities op te bouwen. Er is rust en vertrouwen nodig voor de ontwikkeling van tourisme en hospitality om zo te zorgen voor duurzame welvaart en welzijn. Wij hebben grote bewondering voor deze managers en ondernemers die zo duidelijk in dit soms zo geweldadige gebied een geluid van vrede laten horen. Wij zijn er trots op dat de CHN voor het bevorderen van dit proces gastheer mag zijn. Dit gastheerschap en de ondersteuning van dit dappere Forum is voor ons een uitdrukking van onze missie.
En, hier verloochent de echte Calvinist zich niet, voor wij het vergeten het gaat hier uit eindelijk om de studie. Volgens een van mijn hoogleraren betekent studeren dit.
Laten we ook in dit collegejaar de dromen van onze studenten onze passie laten zijn.
Ik vind het een voorrecht en eer dit nieuwe collega’s jaar met onze zeer betrokken Raad van Toezicht, alle anderen die met ons verbonden zijn en decollega’s in te mogen gaan. In het bijzonder verheug ik mij weer op de samenwerking in het Collge van Bestuur met college-voorzitter Robert Veenstra, die niet alleen mijn adagium “Onderwijs, onderwijs en onderwijs”, maar ook onze dromen en academische ambities deelt, maar ook de scherpte en de haalbaarheid erin helpt houden.
Om te voorkomen dat wij als kosmopolitische internationalisten ervan beschuldigd worden eenzijdig Anglosaksich en Amerikaans georiënteerd te zijn, mijn wens voor een behouden, passievol, nieuw nieuwsgierig collegejaar toegewenst met goede prestaties!

















