zondag, februari 26, 2006
Week 8
Op maandag hebben we een brainstormsessie over onze website. Meer en meer lopen onze communicatie infrastructuren door elkaar en ik voel dat er zaken beter op elkaar afgestemd dienen te worden. Er komen goede ideeen naar voren. Aan het eind van de dag heb ik een bijeenkomst met Joop Wijn (staatssecretaris). Blijkbaar heeft de secretaris een vervelende portefeuille. De aanwezigen raken behoorlijk gefrustreerd van zijn maatregelen en houding.
Dinsdag vlieg ik naar Zuid Afrika. Tijdens dit bezoek worden de uitkomsten van de strategic planning session aan mij gepresenteerd en de koers voor de toekomst bepaald. Tegelijkertijd houdt onze QA medewerkster Helma te Velde een presentatie van haar onderzoeksuitkomsten. Alle sites worden nu door Helma onderworpen aan een grondig kwaliteitsonderzoek naar de lokale en nederlandse accreditatie eisen. Fantastich werk Helma!
Tevens worden de CHN beurzen uitgereikt. Op de laatste dag zie ik nog een aantal kandidaten voor de positie van GM. Er zijn twee zeer goede kandidaten. Klaas Wybo mag volgende week een laatste interview houden en dan zullen we een keuze maken.
Op zondag kom ik weer aan in een koud Nederland. De contrasten zijn wel heel groot!
Dinsdag vlieg ik naar Zuid Afrika. Tijdens dit bezoek worden de uitkomsten van de strategic planning session aan mij gepresenteerd en de koers voor de toekomst bepaald. Tegelijkertijd houdt onze QA medewerkster Helma te Velde een presentatie van haar onderzoeksuitkomsten. Alle sites worden nu door Helma onderworpen aan een grondig kwaliteitsonderzoek naar de lokale en nederlandse accreditatie eisen. Fantastich werk Helma!
Tevens worden de CHN beurzen uitgereikt. Op de laatste dag zie ik nog een aantal kandidaten voor de positie van GM. Er zijn twee zeer goede kandidaten. Klaas Wybo mag volgende week een laatste interview houden en dan zullen we een keuze maken.
Op zondag kom ik weer aan in een koud Nederland. De contrasten zijn wel heel groot!
zaterdag, februari 18, 2006
CHN geslaagd in de herkansing
-Persbericht-
CHN geslaagd in de herkansing
Leeuwarden, 16 februari 2006
Vandaag heeft de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening van de Christelijke Hogeschool Nederland alsnog de vereiste goedkeuring van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) verkregen. Deze was bij een eerdere beoordeling in het voorjaar van 2005 niet verleend. CHN startte een verbetertraject, dat resulteerde in een positieve beoordeling: met deze beoordeling hoort de opleiding SPH weer tot de top van Nederland.
Bij de keuring, die dit najaar plaatsvond, scoorde de opleiding SPH op 13 van de 21 punten goed en op 8 punten voldoende. Deze score is het resultaat van het verbetertraject dat de opleiding SPH in mei 2005 in een versneld tempo heeft doorgevoerd. In mei 2005 besloot de NVAO om de SPH geen accreditatie toe te kennen, omdat de opleiding toen nog op 3 van de 21 punten onvoldoende scoorde. De school kreeg twee jaar de tijd de opleiding te verbeteren.
De school ging echter in september 2005 al met een nieuw curriculum van start. Vandaag blijkt dat dit verbeterde curriculum succesvol is.
Robert Veenstra, voorzitter College van Bestuur: 'Vorig jaar zijn we officieel in beroep gegaan tegen het besluit van de NVAO. Een beroep kan echter lang duren. We stonden te popelen om een verbeterd curriculum in te voeren. We hebben dan ook niet lang gewacht: de medewerkers van SPH hebben er de afgelopen maanden voor gezorgd dat de opleiding weer tot de beste van Nederland behoort.'
Karl Dittrich, voorzitter van de NVAO is zeer tevreden met de inspanningen van de CHN: 'Het proces dat de opleiding SPH heeft doorlopen, telt als een schoolvoorbeeld van wat de NVAO met zijn waarschuwing wil bereiken. Door regelmatige toetsing en verbetering houden we het niveau van het Nederlandse Hoger Onderwijs kwalitatief hoog.'
Over de Christelijke Hogeschool Nederland
De CHN biedt 11 bachelor en 4 masteropleidingen aan op het gebied van christelijke basisonderwijs (lerarenopleiding), zorg & welzijn en servicemanagement. De hogeschool heeft ruim 500 medewerkers en telt 6.600 studenten in Nederland en buiten Europa. In Nederland is de hogeschool gevestigd in Leeuwarden (de hoofdvestiging), Groningen en Emmen. Buiten Europa biedt de CHN opleidingen aan in Qatar (Doha), Zuid-Afrika (Port Alfred) en vanaf het schooljaar 2005/2006 in Thailand (Bangkok). De CHN participeert in het samenwerkingsverband van de Hogescholengroep Noord Nederland en heeft een omzet van € 43,5 miljoen. Waardengericht onderwijs en internationalisering zijn speerpunten van de CHN. Meer informatie over de CHN vindt u op www.chn.nl
CHN geslaagd in de herkansing
Leeuwarden, 16 februari 2006
Vandaag heeft de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening van de Christelijke Hogeschool Nederland alsnog de vereiste goedkeuring van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) verkregen. Deze was bij een eerdere beoordeling in het voorjaar van 2005 niet verleend. CHN startte een verbetertraject, dat resulteerde in een positieve beoordeling: met deze beoordeling hoort de opleiding SPH weer tot de top van Nederland.
Bij de keuring, die dit najaar plaatsvond, scoorde de opleiding SPH op 13 van de 21 punten goed en op 8 punten voldoende. Deze score is het resultaat van het verbetertraject dat de opleiding SPH in mei 2005 in een versneld tempo heeft doorgevoerd. In mei 2005 besloot de NVAO om de SPH geen accreditatie toe te kennen, omdat de opleiding toen nog op 3 van de 21 punten onvoldoende scoorde. De school kreeg twee jaar de tijd de opleiding te verbeteren.
De school ging echter in september 2005 al met een nieuw curriculum van start. Vandaag blijkt dat dit verbeterde curriculum succesvol is.
Robert Veenstra, voorzitter College van Bestuur: 'Vorig jaar zijn we officieel in beroep gegaan tegen het besluit van de NVAO. Een beroep kan echter lang duren. We stonden te popelen om een verbeterd curriculum in te voeren. We hebben dan ook niet lang gewacht: de medewerkers van SPH hebben er de afgelopen maanden voor gezorgd dat de opleiding weer tot de beste van Nederland behoort.'
Karl Dittrich, voorzitter van de NVAO is zeer tevreden met de inspanningen van de CHN: 'Het proces dat de opleiding SPH heeft doorlopen, telt als een schoolvoorbeeld van wat de NVAO met zijn waarschuwing wil bereiken. Door regelmatige toetsing en verbetering houden we het niveau van het Nederlandse Hoger Onderwijs kwalitatief hoog.'
Over de Christelijke Hogeschool Nederland
De CHN biedt 11 bachelor en 4 masteropleidingen aan op het gebied van christelijke basisonderwijs (lerarenopleiding), zorg & welzijn en servicemanagement. De hogeschool heeft ruim 500 medewerkers en telt 6.600 studenten in Nederland en buiten Europa. In Nederland is de hogeschool gevestigd in Leeuwarden (de hoofdvestiging), Groningen en Emmen. Buiten Europa biedt de CHN opleidingen aan in Qatar (Doha), Zuid-Afrika (Port Alfred) en vanaf het schooljaar 2005/2006 in Thailand (Bangkok). De CHN participeert in het samenwerkingsverband van de Hogescholengroep Noord Nederland en heeft een omzet van € 43,5 miljoen. Waardengericht onderwijs en internationalisering zijn speerpunten van de CHN. Meer informatie over de CHN vindt u op www.chn.nl
SPH weer accreditatiewaardig
Met zeer grote trots heb ik het bericht van Karl Dittrich ontvangen dat SPH zijn accreditatie weer heeft verworven.
Nadat we in mei vorig jaar te horen kregen dat de opleiding niet accreditatiewaardig was is er met man en macht gewerkt aan het weer 'op orde' brengen van de opleiding. In een halfjaar tijd is de opleiding van 'flop naar top' beoordeeld. Dit is een prestatie van maat. Alhoewel er tegelijkertijd bij mij ook vraagtekens naar boven komen. Als het mogelijk is om in een halfjaar tijd een dergelijke verbeterslag te maken wat is er de afgelopen tijd dan mis gegaan?
Karl gaf in een persoonlijk telefoongesprek aan grote waardering te hebben voor de gerealiseerde verbeterslag. Deze wil ik graag over brengen aan het team van SPH. Vandaag zullen we jullie nog 'in het zonnetje zetten'. Er is erg hard gewerkt en er is in de herfstvakantie doorgewerkt om het dan nu geraliseerde resultaat te behalen.
Hartelijk dank allemaal !


voor iedereen een oorkonde

. . . . en een gebakje
Nadat we in mei vorig jaar te horen kregen dat de opleiding niet accreditatiewaardig was is er met man en macht gewerkt aan het weer 'op orde' brengen van de opleiding. In een halfjaar tijd is de opleiding van 'flop naar top' beoordeeld. Dit is een prestatie van maat. Alhoewel er tegelijkertijd bij mij ook vraagtekens naar boven komen. Als het mogelijk is om in een halfjaar tijd een dergelijke verbeterslag te maken wat is er de afgelopen tijd dan mis gegaan?
Karl gaf in een persoonlijk telefoongesprek aan grote waardering te hebben voor de gerealiseerde verbeterslag. Deze wil ik graag over brengen aan het team van SPH. Vandaag zullen we jullie nog 'in het zonnetje zetten'. Er is erg hard gewerkt en er is in de herfstvakantie doorgewerkt om het dan nu geraliseerde resultaat te behalen.
Hartelijk dank allemaal !
voor iedereen een oorkonde

. . . . en een gebakje
vrijdag, februari 17, 2006
Week 7
Na mijn bezoek aan Canada zat acclimatiseren er niet in. Direct na de landing op Schiphol naar kantoor gereden en weer 'dik in de afspraken'.
Woensdag staat in het teken van de KennisCampus. We beginnen nu de contouren van de structuur helder te krijgen. 's Avonds hebben we nog een overleg over de inrichting van het te starten management development traject.
Donderdag is een feestelijke dag. De officiële bekendmaking dat SPH zijn accreditatie weer heeft verworven. Een enorme prestatie die het team heeft geleverd in een half jaar tijd. We overhandigen elke medewerker van SPH een oorkonde en er is voor iedereen een gebakje. Tevens is er veel pers aandacht. De algemene vraag is toch steeds weer hoe een opleiding in een half jaar tijd van flop naar top kan groeien. Een volkomen legitieme vraag die ook mij, met name dan strategisch en tactisch, bezighoudt.
Op vrijdag heb ik een bestuursvergadering van het samenwerkingsverband Pandia in Utrecht. In de namiddag nog een bespreking met Theo Hooghiemstra en Klaas Wybo over de te nemen akties en regie t.b.v. het project China.
Weekend !
Woensdag staat in het teken van de KennisCampus. We beginnen nu de contouren van de structuur helder te krijgen. 's Avonds hebben we nog een overleg over de inrichting van het te starten management development traject.
Donderdag is een feestelijke dag. De officiële bekendmaking dat SPH zijn accreditatie weer heeft verworven. Een enorme prestatie die het team heeft geleverd in een half jaar tijd. We overhandigen elke medewerker van SPH een oorkonde en er is voor iedereen een gebakje. Tevens is er veel pers aandacht. De algemene vraag is toch steeds weer hoe een opleiding in een half jaar tijd van flop naar top kan groeien. Een volkomen legitieme vraag die ook mij, met name dan strategisch en tactisch, bezighoudt.
Op vrijdag heb ik een bestuursvergadering van het samenwerkingsverband Pandia in Utrecht. In de namiddag nog een bespreking met Theo Hooghiemstra en Klaas Wybo over de te nemen akties en regie t.b.v. het project China.
Weekend !
Accreditatie: de coup van de staf
'Sinds ruim een jaar wordt vanuit hogescholen en vooral universiteiten
geklaagd over de zware belasting die de beoordeling van elke opleiding
afzonderlijk met zich meebrengt.' Aldus oud-NVA)- voorzitter Olchert
Brouwer in een opiniestuk over de regelgeving en de kwaliteitsborging.
'Voorzover ik weet is daar bij de behandeling van het wetsonwerp voor de
invoering van accreditatie in 2002 niet veel aandacht voor geweest, noch
bij instellingen en hun organisaties noch bij politici. Dat is eigenlijk
vreemd, omdat toentertijd Engelse universiteiten al hoorbaar zuchtten en
kreunden onder de last die de 'subject reviews" (beoordeling van
opleidingen) van de QAA (Quality Assurance Agency) voor hen betekenden.'
Sinds ruim een jaar wordt vanuit hogescholen en vooral universiteiten
geklaagd over de zware belasting die de beoordeling van elke opleiding
afzonderlijk met zich meebrengt. Voorzover ik weet is daar bij de
behandeling van het wetsonwerp voor de invoering van accreditatie in
2002 niet veel aandacht voor geweest, noch bij instellingen en hun
organisaties noch bij politici. Dat is eigenlijk vreemd, omdat
toentertijd Engelse universiteiten al hoorbaar zuchtten en kreunden
onder de last die de 'subject reviews' (beoordeling van opleidingen) van
de QAA (Quality Assurance Agency) voor hen betekenden. Na een volledige
ronde is het systeem in Engeland aangepast: nu worden in de eerste
plaats de instellingen in hun geheel beoordeeld (dat betreft met name de
kwaliteitszorg die de instellingen intern organiseren); daarnaast worden
steekproefsgewijs opleidingen aan een afzonderlijke beoordeling
onderworpen. Deze aanpassing gebeurde onder druk van de universiteiten,
maar het werd verantwoord geacht, omdat de uitkomsten van de eerste
volledige ronde van opleidingsbeoordelingen over de hele linie positief
waren.
De VSNU drong reeds vorig jaar aan op een herziening van het systeem in
Nederland. Het liefst zou men meteen tot accreditatie van instellingen
zijn overgegaan en de beoordeling van de afzonderlijke opleidingen
hebben overgeslagen. Die wens is niet gehonoreerd, een verstandige
afwijking van de Nederlandse gewoonte een wet nog voordat die
fatsoenlijk is ingevoerd alweer grondig te veranderen. De idee is nu,
dat na afronding van de net gestarte eerste ronde
opleidingsbeoordelingen een ander, in elk geval minder bewerkelijk
systeem zal worden geïntroduceerd. Staatssecrstaris Rutte heeft zich al
laten ontvallen, dat hij aan instellingsaccreditatie denkt.
Universiteiten en hogescholen zullen dus in elk geval een keer al hun
opleidingen moeten laten accrediteren. Omdat de klacht over de hoge
kosten hiervan bepaald niet zonder grond is (ook al zijn de schattingen
weinig exact en zo nu en dan overdreven) is het zaak om te zien naar
manieren om het proces zo efficiënt mogelijk in te richten. Visiterende
en beoordelende instanties (VBI's) zijn daar in samenspraak met
instellingen en NVAO dan ook mee bezig. Ik vraag mij af of er niet meer
mogelijk is dan voorzover ik kan zien tot nu toe wordt geprobeerd.
II
Eerst maak ik enkele kanttekeningen bij het functioneren van het systeem
zoals we dat nu kunnen waarnemen. Sommigen vreesden, anderen hoopten
(heimelijk), dat de NVAO een papieren tijger zou blijken te zijn. Dat
valt tot nu toe mee, of tegen. Bij de beoordeling van aanvragen voor de
toets nieuwe opleidingen zijn vele aanvragen gesneuveld. Voorzover het
om papieren plannen voor nog niet bestaande opleidingen gaat valt dat
binnen de competenties van een papieren tijger, want er wordt nog vooral
papier verslonden. Maar ook niet alle bestaande opleidingen verwerven
accreditatie. Ik vermoed, dat instellingen voor opleidingen die door
VBI's negatief beoordeeld worden een accreditatieverzoek als het even
kan uitstellen of achterwege laten; daardoor is niet duidelijk hoe vaak
dit voorkomt. Maar ook een positief rapport van een VBI garandeert geen
accreditatie. In een enkel geval is accreditatie ondanks een positieve
(althans voldoende) VBI-beoordeling door de NVAO geweigerd, nadat ter
verificatie een 'second opinion' is ingewonnen. Tegen deze handelwijze
van de NVAO wordt bezwaar gemaakt, maar naar mijn mening is zij in
principe legitiem. Ik verwacht, dat het steeds minder vaak zal gebeuren,
wanneer VBI's en NVAO beter op elkaar zijn ingespeeld, maar zover zijn
we nog niet. Vanuit het gezichtspunt van universiteiten en hogescholen
is een goede afstemming tussen NVAO en VBI's belangrijk en urgent.
Wanneer de NVAO regelmatig VBI-rapporten blijft afkeuren of tot
"verificatie" hiervan blijft overgaan wordt het hele systeem extra
belastend.
Het vooralsnog ontbreken van een reële mogelijkheid voor herstel heeft
in de praktijk vervelende gevolgen. Iedereen (opleidingen en VBI's) gaan
nog meer op safe spelen: meer papier, minder vertrouwen in het
"timmermansoog". Veiligheid zoeken komt de vernieuwing en de
flexibiliteit van het onderwijs niet ten goede. Tegelijkertijd dreigt de
lat lager te worden gelegd: visitatoren kunnen veel kritiek op een
opleiding hebben, vinden wellicht accreditatie niet gewettigd, maar
komen toch tot het eindoordeel voldoende, omdat zij de gevolgen van het
onthouden van accreditatie gezien de aard en omvang van de gebreken en
de mogelijkheden voor herstel (mijns inziens terecht) onevenredig zwaar
vinden. Indien er zo'n voldoende oordeel komt kunnen de VBI's nog wel
aanbevelingen voor verbetering doen, maar deze ontberen kracht,
accreditatie is immers voor zes jaar veilig gesteld. Daardoor bevat het
systeem minder prikkels voor verbetering dan het vroegere
visitatiesysteem, waar in het zogenaamde "bestuurlijk natraject" in elk
geval werd gevolgd of gewenste verbeteringen ook daadwerkelijk werden
aangebracht.
Op safe spelen stimuleert tot "bureaucratisering". Dat geldt intern bij
instellingen, het geldt voor VBI's, die het zich niet kunnen
veroorloven, dat er regelmatig rapporten door de NVAO worden afgekeurd.
Ze worden geprikkeld eerder te veel dan te weinig te vragen of vast te
(doen) leggen. Dat belemmert het creatief zoeken naar verantwoorde
manieren om de belasting die accreditatie met zich brengt te beperken.
VBI's gaan zich trouwens ook indekken door in hun rapporten kritische
opmerkingen weg te laten om te voorkomen dat de NVAO ermee op de loop
gaat (in hun visie dan). Naarmate dat meer gebeurt krijgen we een (duur)
schimmenspel en gaat het steeds minder over de werkelijkheid. Van een
positieve invloed op kwaliteit of kwaliteitsbewustzijn is dan geen
sprake meer.
Het accreditatieproces zoals dat zich nu aftekent lijkt ook de
professionele verantwoordelijkheid van docenten (verder) aan te tasten.
Omdat docenten doorgaans niet de taal van de VBI's spreken is er werk
aan de winkel voor stafmedewerkers die dat wel doen. De macht van de
staven (binnen instellingen, bij VBI's, bij de NVAO) neemt daardoor
(verder) toe. Dit werkt standaardisering en uniformiteit in de hand.
III
Staatssecretaris Rutte heeft uitgesproken de ruimte voor de
professionals (docenten en onderzoekers) te willen vergroten. Haagse
regels moeten niet door instellingsregels worden vervangen; dan schiet
de professional er niets mee op, integendeel, men mag aannemen, dat
instellingbesturen omdat ze op minder grote afstand staan binnen hun
instelling de nakoming van (zelf uitgevaardigde!) regels beter kunnen
bewaken dan een minister dat ooit heeft gekund. Terzijde: laten de
professionals zich niet te vroeg rijk rekenen als het over
instellingsaccreditatie gaat. Een instelling verwerft alleen
accreditatie als zij haar interne kwaliteitszorg op orde heeft. Het is
allerminst zeker, dat die interne kwaliteitszorg niet nog
bureaucratischer uitpakt dan de NVAO-accreditatie. Misschien kan dit
voorkomen worden door de eisen waaraan de interne kwaliteitszorg moet
voldoen tamelijk nauwekeurig te omschrijven zonder een nieuw nationaal
keurslijf te fabriceren. De vermaning van de WRR iets minder van
controle en iets meer van vertrouwen in besturen en professionals te
verwachten zou mogen stimuleren tot het bedenken van nieuwe evenwichten
tussen beide.
Gelukkig zal naar verwachting in de concept- wet alsnog een echte
herstelperiode (zoals Vlaanderen die al kent) worden geïntroduceerd. Ik
verwacht, dat de neerwaartse druk op het voor het verlenen van
accreditatie vereiste niveau minder zal worden. Ik verwacht ook, dat
instellingen wat meer risico zullen durven nemen. Er komt meer ruimte
niet alleen voor vernieuwing van het onderwijs, maar ook om te
experimenteren om methodes voor visitatie en accreditatie te ontwikkelen
waarin kosten en baten zich gunstiger tot elkaar verhouden.
Bij de voorbereiding van de nieuwe wet is nagedacht over de introductie
van domeinen in plaats van of naast de opleidingen van de WHW. Daar is
om uiteenlopende, mijns inziens gegronde redenen van afgezien. Daarmeer
is één (veronderstelde) mogelijkheid de last van het
accreditatiegebeuren te verlichten uit het zicht verdwenen. In plaats
daarvan zal worden onderzocht wat er via het "geclusterd" visiteren van
meer of minder verwante opleidingen kan worden gewonnen. Binnen de
huidige praktijk blijft de winst naar mijn indruk beperkt. De wet eist
tenslotte van de NVAO voor elke in het Croho geregistreerde opleiding
een afzonderlijk accreditatierapport en -besluit. Het VBI-rapport moet
daarvoor de grondslag bieden.
Naar mijn mening verdient het overweging de NVAO de ruimte te geven voor
door haar geaccepteerde verzamelingen van opleidingen één
accreditatierapport en -besluit vast te stellen. Het is ongelukkig dat
vrijwel tegelijk met de invoering van accreditatie met name in het
wetenschappelijk onderwijs het aantal opleidingen enorm is toegenomen.
De enige of in elk geval de voornaamste oorzaak is de invoering van
bachelors en masters. Voorheen werden bachelors en de meeste masters
bijvoorbeeld op het terrein van de economie in één keer gevisiteerd en
beoordeeld. Kan dat niet gewoon zo blijven?
Deze verruiming vraagt wetswijziging. Het zou jammer zijn dat het hoger
onderwijs voor deze aanmerkelijke vermindering van de lasten op de
nieuwe sectorwet moet wachten. Een alternatief - juridisch minder
zuiver, maar in een overzichtelijk systeem als het Nederlandse hoger
onderwijs wellicht toch verantwoord - is een bestuurlijke afspraak, dat
de NVAO in feite die ruimte krijgt en dat haar aldus tot stand gekomen
besluiten geaccepteerd worden als besluiten over de opleidingen die
gezamenlijk door haar beoordeeld zijn.
Verbreding van opleidingen, en daardoor vermindering van het aantal, is
een andere manier om het aantal accreditatieprocedures te beperken. Ik
vind, dat de accreditatielast bij het spreken en besluiten over
verbreding van opleidingen eigenlijk geen belangrijke rol mag spelen.
Inhoudelijke argumenten, ontleend aan de discipline en aan het
beroepenveld waarop de opleiding voorbereidt, behoren mijns inziens de
doorslag te geven. Brede opleidingen zijn niet per definitie beter voor
de wereld dan smalle opleidingen; een hoger onderwijs waarin bredere en
smallere opleidingen naast elkaar bestaan voldoet allicht beter aan de
toenemende differentiatie in de vraag dan een landelijk min of meer
uniform breed of smal aanbod. Als een instelling voor relatief smalle
opleidingen kiest moet dat niet worden afgestraft door veel hogere
kosten voor accreditatie. Met andere woorden: het verdient aanbeveling
de kosten van accreditatie zoveel mogelijk onafhankelijk te maken van
het aantal opleidingen dat een instelling in het Croho geregistreerd
heeft staan.
Ik kan mij nog een andere manier voorstellen die tot een aanzienlijke
reductie van de kosten kan leiden. Het kost niet bij alle opleidingen
evenveel moeite om vast te stellen of de "basiskwaliteit" wordt gehaald.
Soms is dat bijna op het eerste gezicht duidelijk, in andere gevallen is
diepergaand onderzoek nodig. Zou het de moeite waard zijn na te denken
over accreditatie in één of twee slagen? Een eerste slag zou in mijn
verwachting voor tenminste de helft van de opleidingen afdoende kunnen
zijn, omdat er geen redelijke twijfel aan de "basiskwaliteit" bestaat
(in deze gevallen zal de kwaliteit vaak hoger zijn dan voor accreditatie
minimaal vereist). In elk geval het systeem van kwaliteitszorg zou goed
in orde moeten zijn. Het is niet verkeerd instellingen daartoe een
stimulans te geven; dat komt van pas als na 2010 voor
instellingsaccreditatie zou worden gekozen.
Een tweede slag, vergelijkbaar met de VBI- onderzoeken zoals die nu
plaatsvinden, kan worden gemaakt bij de opleidingen, waarvoor de eerste
slag onvoldoende duidelijkheid en zekerheid biedt. Dat wordt in eerste
instantie door de VBI beoordeeld, in samenspraak met de instelling, in
tweede instantie kan de NVAO daarover indien noodzakelijk een uitspraak
doen. Ik ontveins mij niet, dat deze aanpak complicaties met zich mee
kan brengen, maar zou het toch jammer vinden als alleen daarom een
verkenning in deze richting achterwege blijft. Als mogelijke
complicaties de enige reden zijn er verder niet over na te denken zouden
we nooit aan accreditatie zijn begonnen, en wellicht ook niet aan een
nieuwe wet voor het hoger onderwijs, want die brengen aanzienlijk meer
complicaties met zich mee. Is voor deze aanpak wetswijziging nodig? Het
is het meest zuiver. Maar ook hier kan via bestuurlijke afspraken over
de wijze waarop de huidige wet zal worden toegepast wellicht een en
ander worden bereikt.
De zaak is het waard ons het hoofd over deze en andere ideeën te breken.
Er zijn verschillende manier meer geld voor onderwijs beschikbaar te
krijgen. De ene is door de staat dan wel de studenten er meer aan te
laten betalen. De andere is om voortdurend alert te zijn op
mogelijkheden het beschikbare geld zoveel mogelijk direct aan onderwijs
en onderzoek ten goede te laten komen. Vermindering van de kosten voor
toezicht en controle draagt daar rechtstreeks aan bij; wanneer die
desalniettemin voldoende robuust worden uitgeoefend zal de kwaliteit van
de prestaties van onze universiteiten en hogescholen niet minder goed
gewaarborgd zijn.
Bij accreditatie (anders dan bij de toets nieuwe opleiding) zijn er drie
"spelers": de universiteit of hogeschool, de VBI, de NVAO. Ik heb
geschetst hoe instelling en VBI bijna onvermijdelijk de neiging
ontwikkelen om op safe te spelen. Dat proces krijgt meer ruimte naarmate
er meer deelnemers aan de estafette zijn en het stokje vaker moet worden
doorgegeven. Dat kan elke keer fout gaan. Als de VBI uit deze reeks
wordt verwijderd en instellingen rechtstreeks met de NVAO en een door de
NVAO ingesteld panel te maken hebben is er minder ruimte voor
"communicatiestoornissen" dan op dit moment en is er één instantie
minder die bezorgd hoeft te zijn voor zijn hachje. Bij de toets nieuwe
opleiding is de inschakeling van een VBI niet voorgeschreven. Is zij bij
accreditatie werkelijk nodig? Kijk ook hiervoor eens naar Engeland, waar
de QAA zelf het onderzoek naar kwaliteit organiseert.
De VBI's uit het veld halen is een fundamentele verandering in het
systeem. Daar behoort een grondige beoordeling van de werking van het
systeem zoals we dat nu kennen, met VBI's, aan vooraf te gaan. Gelukkig
is een evaluatie over enkele jaren voorzien; ik beveel aan dan in elk
geval ook na te gaan of de ideeën die aan het introduceren van VBI's ten
grondslag hebben gelegen de toets der praktijk hebben kunnen doorstaan
(denk aan de idee van een markt voor VBI's, zelfs een internationale
markt; zie verder het rapport van de commissie-Franssen "Prikkelen,
presteren, profileren" uit 2001) Een minder vergaande ingreep zou zijn
alsnog te voorzien in een echte registratieregeling voor VBI's. De
informatieve lijst die de NVAO nu overeenkomstig wettelijk voorschrift
jaarlijks publiceert heeft materieel een en ander gemeen met de door de
commissie-Franssen voorgestelde registratieregeling. Er worden immers
bepaalde eisen gesteld, waaraan een VBI moet voldoen, wil zij op de
lijst kunnen komen en blijven.
Ik heb me wel eens afgevraagd of hiervoor voldoende wettelijke basis
bestaat. Van een formele erkenning is echter geen sprake. Komt die er
wel, dan kan de NVAO verdergaande voorwaarden formuleren. Het doel is
niet zozeer om de macht van de NVAO te vergroten; het gaat erom de
instellingen te vrijwaren voor het risico, dat VBI-beoordelingen niet
door de NVAO worden overgenomen en accreditatie achterwege blijft. Via
beroepsprocedures is een faux pas van de NVAO overigens gemakkelijker te
corrigeren dan die van een VBI. Die kun je afdanken en je kunt naar een
concurrent gaan, maar dat levert nog geen accreditatie op.
Ik wil met deze ideeën de discussie over een doelmatiger en niet minder
doeltreffende aanpak van de accreditatie een impuls geven en ik hoop dat
die discussie tot een aantal concrete, praktische conclusies leidt.
Bron: ScienceGuide.org - Olchert Brouwer september 2005
geklaagd over de zware belasting die de beoordeling van elke opleiding
afzonderlijk met zich meebrengt.' Aldus oud-NVA)- voorzitter Olchert
Brouwer in een opiniestuk over de regelgeving en de kwaliteitsborging.
'Voorzover ik weet is daar bij de behandeling van het wetsonwerp voor de
invoering van accreditatie in 2002 niet veel aandacht voor geweest, noch
bij instellingen en hun organisaties noch bij politici. Dat is eigenlijk
vreemd, omdat toentertijd Engelse universiteiten al hoorbaar zuchtten en
kreunden onder de last die de 'subject reviews" (beoordeling van
opleidingen) van de QAA (Quality Assurance Agency) voor hen betekenden.'
Sinds ruim een jaar wordt vanuit hogescholen en vooral universiteiten
geklaagd over de zware belasting die de beoordeling van elke opleiding
afzonderlijk met zich meebrengt. Voorzover ik weet is daar bij de
behandeling van het wetsonwerp voor de invoering van accreditatie in
2002 niet veel aandacht voor geweest, noch bij instellingen en hun
organisaties noch bij politici. Dat is eigenlijk vreemd, omdat
toentertijd Engelse universiteiten al hoorbaar zuchtten en kreunden
onder de last die de 'subject reviews' (beoordeling van opleidingen) van
de QAA (Quality Assurance Agency) voor hen betekenden. Na een volledige
ronde is het systeem in Engeland aangepast: nu worden in de eerste
plaats de instellingen in hun geheel beoordeeld (dat betreft met name de
kwaliteitszorg die de instellingen intern organiseren); daarnaast worden
steekproefsgewijs opleidingen aan een afzonderlijke beoordeling
onderworpen. Deze aanpassing gebeurde onder druk van de universiteiten,
maar het werd verantwoord geacht, omdat de uitkomsten van de eerste
volledige ronde van opleidingsbeoordelingen over de hele linie positief
waren.
De VSNU drong reeds vorig jaar aan op een herziening van het systeem in
Nederland. Het liefst zou men meteen tot accreditatie van instellingen
zijn overgegaan en de beoordeling van de afzonderlijke opleidingen
hebben overgeslagen. Die wens is niet gehonoreerd, een verstandige
afwijking van de Nederlandse gewoonte een wet nog voordat die
fatsoenlijk is ingevoerd alweer grondig te veranderen. De idee is nu,
dat na afronding van de net gestarte eerste ronde
opleidingsbeoordelingen een ander, in elk geval minder bewerkelijk
systeem zal worden geïntroduceerd. Staatssecrstaris Rutte heeft zich al
laten ontvallen, dat hij aan instellingsaccreditatie denkt.
Universiteiten en hogescholen zullen dus in elk geval een keer al hun
opleidingen moeten laten accrediteren. Omdat de klacht over de hoge
kosten hiervan bepaald niet zonder grond is (ook al zijn de schattingen
weinig exact en zo nu en dan overdreven) is het zaak om te zien naar
manieren om het proces zo efficiënt mogelijk in te richten. Visiterende
en beoordelende instanties (VBI's) zijn daar in samenspraak met
instellingen en NVAO dan ook mee bezig. Ik vraag mij af of er niet meer
mogelijk is dan voorzover ik kan zien tot nu toe wordt geprobeerd.
II
Eerst maak ik enkele kanttekeningen bij het functioneren van het systeem
zoals we dat nu kunnen waarnemen. Sommigen vreesden, anderen hoopten
(heimelijk), dat de NVAO een papieren tijger zou blijken te zijn. Dat
valt tot nu toe mee, of tegen. Bij de beoordeling van aanvragen voor de
toets nieuwe opleidingen zijn vele aanvragen gesneuveld. Voorzover het
om papieren plannen voor nog niet bestaande opleidingen gaat valt dat
binnen de competenties van een papieren tijger, want er wordt nog vooral
papier verslonden. Maar ook niet alle bestaande opleidingen verwerven
accreditatie. Ik vermoed, dat instellingen voor opleidingen die door
VBI's negatief beoordeeld worden een accreditatieverzoek als het even
kan uitstellen of achterwege laten; daardoor is niet duidelijk hoe vaak
dit voorkomt. Maar ook een positief rapport van een VBI garandeert geen
accreditatie. In een enkel geval is accreditatie ondanks een positieve
(althans voldoende) VBI-beoordeling door de NVAO geweigerd, nadat ter
verificatie een 'second opinion' is ingewonnen. Tegen deze handelwijze
van de NVAO wordt bezwaar gemaakt, maar naar mijn mening is zij in
principe legitiem. Ik verwacht, dat het steeds minder vaak zal gebeuren,
wanneer VBI's en NVAO beter op elkaar zijn ingespeeld, maar zover zijn
we nog niet. Vanuit het gezichtspunt van universiteiten en hogescholen
is een goede afstemming tussen NVAO en VBI's belangrijk en urgent.
Wanneer de NVAO regelmatig VBI-rapporten blijft afkeuren of tot
"verificatie" hiervan blijft overgaan wordt het hele systeem extra
belastend.
Het vooralsnog ontbreken van een reële mogelijkheid voor herstel heeft
in de praktijk vervelende gevolgen. Iedereen (opleidingen en VBI's) gaan
nog meer op safe spelen: meer papier, minder vertrouwen in het
"timmermansoog". Veiligheid zoeken komt de vernieuwing en de
flexibiliteit van het onderwijs niet ten goede. Tegelijkertijd dreigt de
lat lager te worden gelegd: visitatoren kunnen veel kritiek op een
opleiding hebben, vinden wellicht accreditatie niet gewettigd, maar
komen toch tot het eindoordeel voldoende, omdat zij de gevolgen van het
onthouden van accreditatie gezien de aard en omvang van de gebreken en
de mogelijkheden voor herstel (mijns inziens terecht) onevenredig zwaar
vinden. Indien er zo'n voldoende oordeel komt kunnen de VBI's nog wel
aanbevelingen voor verbetering doen, maar deze ontberen kracht,
accreditatie is immers voor zes jaar veilig gesteld. Daardoor bevat het
systeem minder prikkels voor verbetering dan het vroegere
visitatiesysteem, waar in het zogenaamde "bestuurlijk natraject" in elk
geval werd gevolgd of gewenste verbeteringen ook daadwerkelijk werden
aangebracht.
Op safe spelen stimuleert tot "bureaucratisering". Dat geldt intern bij
instellingen, het geldt voor VBI's, die het zich niet kunnen
veroorloven, dat er regelmatig rapporten door de NVAO worden afgekeurd.
Ze worden geprikkeld eerder te veel dan te weinig te vragen of vast te
(doen) leggen. Dat belemmert het creatief zoeken naar verantwoorde
manieren om de belasting die accreditatie met zich brengt te beperken.
VBI's gaan zich trouwens ook indekken door in hun rapporten kritische
opmerkingen weg te laten om te voorkomen dat de NVAO ermee op de loop
gaat (in hun visie dan). Naarmate dat meer gebeurt krijgen we een (duur)
schimmenspel en gaat het steeds minder over de werkelijkheid. Van een
positieve invloed op kwaliteit of kwaliteitsbewustzijn is dan geen
sprake meer.
Het accreditatieproces zoals dat zich nu aftekent lijkt ook de
professionele verantwoordelijkheid van docenten (verder) aan te tasten.
Omdat docenten doorgaans niet de taal van de VBI's spreken is er werk
aan de winkel voor stafmedewerkers die dat wel doen. De macht van de
staven (binnen instellingen, bij VBI's, bij de NVAO) neemt daardoor
(verder) toe. Dit werkt standaardisering en uniformiteit in de hand.
III
Staatssecretaris Rutte heeft uitgesproken de ruimte voor de
professionals (docenten en onderzoekers) te willen vergroten. Haagse
regels moeten niet door instellingsregels worden vervangen; dan schiet
de professional er niets mee op, integendeel, men mag aannemen, dat
instellingbesturen omdat ze op minder grote afstand staan binnen hun
instelling de nakoming van (zelf uitgevaardigde!) regels beter kunnen
bewaken dan een minister dat ooit heeft gekund. Terzijde: laten de
professionals zich niet te vroeg rijk rekenen als het over
instellingsaccreditatie gaat. Een instelling verwerft alleen
accreditatie als zij haar interne kwaliteitszorg op orde heeft. Het is
allerminst zeker, dat die interne kwaliteitszorg niet nog
bureaucratischer uitpakt dan de NVAO-accreditatie. Misschien kan dit
voorkomen worden door de eisen waaraan de interne kwaliteitszorg moet
voldoen tamelijk nauwekeurig te omschrijven zonder een nieuw nationaal
keurslijf te fabriceren. De vermaning van de WRR iets minder van
controle en iets meer van vertrouwen in besturen en professionals te
verwachten zou mogen stimuleren tot het bedenken van nieuwe evenwichten
tussen beide.
Gelukkig zal naar verwachting in de concept- wet alsnog een echte
herstelperiode (zoals Vlaanderen die al kent) worden geïntroduceerd. Ik
verwacht, dat de neerwaartse druk op het voor het verlenen van
accreditatie vereiste niveau minder zal worden. Ik verwacht ook, dat
instellingen wat meer risico zullen durven nemen. Er komt meer ruimte
niet alleen voor vernieuwing van het onderwijs, maar ook om te
experimenteren om methodes voor visitatie en accreditatie te ontwikkelen
waarin kosten en baten zich gunstiger tot elkaar verhouden.
Bij de voorbereiding van de nieuwe wet is nagedacht over de introductie
van domeinen in plaats van of naast de opleidingen van de WHW. Daar is
om uiteenlopende, mijns inziens gegronde redenen van afgezien. Daarmeer
is één (veronderstelde) mogelijkheid de last van het
accreditatiegebeuren te verlichten uit het zicht verdwenen. In plaats
daarvan zal worden onderzocht wat er via het "geclusterd" visiteren van
meer of minder verwante opleidingen kan worden gewonnen. Binnen de
huidige praktijk blijft de winst naar mijn indruk beperkt. De wet eist
tenslotte van de NVAO voor elke in het Croho geregistreerde opleiding
een afzonderlijk accreditatierapport en -besluit. Het VBI-rapport moet
daarvoor de grondslag bieden.
Naar mijn mening verdient het overweging de NVAO de ruimte te geven voor
door haar geaccepteerde verzamelingen van opleidingen één
accreditatierapport en -besluit vast te stellen. Het is ongelukkig dat
vrijwel tegelijk met de invoering van accreditatie met name in het
wetenschappelijk onderwijs het aantal opleidingen enorm is toegenomen.
De enige of in elk geval de voornaamste oorzaak is de invoering van
bachelors en masters. Voorheen werden bachelors en de meeste masters
bijvoorbeeld op het terrein van de economie in één keer gevisiteerd en
beoordeeld. Kan dat niet gewoon zo blijven?
Deze verruiming vraagt wetswijziging. Het zou jammer zijn dat het hoger
onderwijs voor deze aanmerkelijke vermindering van de lasten op de
nieuwe sectorwet moet wachten. Een alternatief - juridisch minder
zuiver, maar in een overzichtelijk systeem als het Nederlandse hoger
onderwijs wellicht toch verantwoord - is een bestuurlijke afspraak, dat
de NVAO in feite die ruimte krijgt en dat haar aldus tot stand gekomen
besluiten geaccepteerd worden als besluiten over de opleidingen die
gezamenlijk door haar beoordeeld zijn.
Verbreding van opleidingen, en daardoor vermindering van het aantal, is
een andere manier om het aantal accreditatieprocedures te beperken. Ik
vind, dat de accreditatielast bij het spreken en besluiten over
verbreding van opleidingen eigenlijk geen belangrijke rol mag spelen.
Inhoudelijke argumenten, ontleend aan de discipline en aan het
beroepenveld waarop de opleiding voorbereidt, behoren mijns inziens de
doorslag te geven. Brede opleidingen zijn niet per definitie beter voor
de wereld dan smalle opleidingen; een hoger onderwijs waarin bredere en
smallere opleidingen naast elkaar bestaan voldoet allicht beter aan de
toenemende differentiatie in de vraag dan een landelijk min of meer
uniform breed of smal aanbod. Als een instelling voor relatief smalle
opleidingen kiest moet dat niet worden afgestraft door veel hogere
kosten voor accreditatie. Met andere woorden: het verdient aanbeveling
de kosten van accreditatie zoveel mogelijk onafhankelijk te maken van
het aantal opleidingen dat een instelling in het Croho geregistreerd
heeft staan.
Ik kan mij nog een andere manier voorstellen die tot een aanzienlijke
reductie van de kosten kan leiden. Het kost niet bij alle opleidingen
evenveel moeite om vast te stellen of de "basiskwaliteit" wordt gehaald.
Soms is dat bijna op het eerste gezicht duidelijk, in andere gevallen is
diepergaand onderzoek nodig. Zou het de moeite waard zijn na te denken
over accreditatie in één of twee slagen? Een eerste slag zou in mijn
verwachting voor tenminste de helft van de opleidingen afdoende kunnen
zijn, omdat er geen redelijke twijfel aan de "basiskwaliteit" bestaat
(in deze gevallen zal de kwaliteit vaak hoger zijn dan voor accreditatie
minimaal vereist). In elk geval het systeem van kwaliteitszorg zou goed
in orde moeten zijn. Het is niet verkeerd instellingen daartoe een
stimulans te geven; dat komt van pas als na 2010 voor
instellingsaccreditatie zou worden gekozen.
Een tweede slag, vergelijkbaar met de VBI- onderzoeken zoals die nu
plaatsvinden, kan worden gemaakt bij de opleidingen, waarvoor de eerste
slag onvoldoende duidelijkheid en zekerheid biedt. Dat wordt in eerste
instantie door de VBI beoordeeld, in samenspraak met de instelling, in
tweede instantie kan de NVAO daarover indien noodzakelijk een uitspraak
doen. Ik ontveins mij niet, dat deze aanpak complicaties met zich mee
kan brengen, maar zou het toch jammer vinden als alleen daarom een
verkenning in deze richting achterwege blijft. Als mogelijke
complicaties de enige reden zijn er verder niet over na te denken zouden
we nooit aan accreditatie zijn begonnen, en wellicht ook niet aan een
nieuwe wet voor het hoger onderwijs, want die brengen aanzienlijk meer
complicaties met zich mee. Is voor deze aanpak wetswijziging nodig? Het
is het meest zuiver. Maar ook hier kan via bestuurlijke afspraken over
de wijze waarop de huidige wet zal worden toegepast wellicht een en
ander worden bereikt.
De zaak is het waard ons het hoofd over deze en andere ideeën te breken.
Er zijn verschillende manier meer geld voor onderwijs beschikbaar te
krijgen. De ene is door de staat dan wel de studenten er meer aan te
laten betalen. De andere is om voortdurend alert te zijn op
mogelijkheden het beschikbare geld zoveel mogelijk direct aan onderwijs
en onderzoek ten goede te laten komen. Vermindering van de kosten voor
toezicht en controle draagt daar rechtstreeks aan bij; wanneer die
desalniettemin voldoende robuust worden uitgeoefend zal de kwaliteit van
de prestaties van onze universiteiten en hogescholen niet minder goed
gewaarborgd zijn.
Bij accreditatie (anders dan bij de toets nieuwe opleiding) zijn er drie
"spelers": de universiteit of hogeschool, de VBI, de NVAO. Ik heb
geschetst hoe instelling en VBI bijna onvermijdelijk de neiging
ontwikkelen om op safe te spelen. Dat proces krijgt meer ruimte naarmate
er meer deelnemers aan de estafette zijn en het stokje vaker moet worden
doorgegeven. Dat kan elke keer fout gaan. Als de VBI uit deze reeks
wordt verwijderd en instellingen rechtstreeks met de NVAO en een door de
NVAO ingesteld panel te maken hebben is er minder ruimte voor
"communicatiestoornissen" dan op dit moment en is er één instantie
minder die bezorgd hoeft te zijn voor zijn hachje. Bij de toets nieuwe
opleiding is de inschakeling van een VBI niet voorgeschreven. Is zij bij
accreditatie werkelijk nodig? Kijk ook hiervoor eens naar Engeland, waar
de QAA zelf het onderzoek naar kwaliteit organiseert.
De VBI's uit het veld halen is een fundamentele verandering in het
systeem. Daar behoort een grondige beoordeling van de werking van het
systeem zoals we dat nu kennen, met VBI's, aan vooraf te gaan. Gelukkig
is een evaluatie over enkele jaren voorzien; ik beveel aan dan in elk
geval ook na te gaan of de ideeën die aan het introduceren van VBI's ten
grondslag hebben gelegen de toets der praktijk hebben kunnen doorstaan
(denk aan de idee van een markt voor VBI's, zelfs een internationale
markt; zie verder het rapport van de commissie-Franssen "Prikkelen,
presteren, profileren" uit 2001) Een minder vergaande ingreep zou zijn
alsnog te voorzien in een echte registratieregeling voor VBI's. De
informatieve lijst die de NVAO nu overeenkomstig wettelijk voorschrift
jaarlijks publiceert heeft materieel een en ander gemeen met de door de
commissie-Franssen voorgestelde registratieregeling. Er worden immers
bepaalde eisen gesteld, waaraan een VBI moet voldoen, wil zij op de
lijst kunnen komen en blijven.
Ik heb me wel eens afgevraagd of hiervoor voldoende wettelijke basis
bestaat. Van een formele erkenning is echter geen sprake. Komt die er
wel, dan kan de NVAO verdergaande voorwaarden formuleren. Het doel is
niet zozeer om de macht van de NVAO te vergroten; het gaat erom de
instellingen te vrijwaren voor het risico, dat VBI-beoordelingen niet
door de NVAO worden overgenomen en accreditatie achterwege blijft. Via
beroepsprocedures is een faux pas van de NVAO overigens gemakkelijker te
corrigeren dan die van een VBI. Die kun je afdanken en je kunt naar een
concurrent gaan, maar dat levert nog geen accreditatie op.
Ik wil met deze ideeën de discussie over een doelmatiger en niet minder
doeltreffende aanpak van de accreditatie een impuls geven en ik hoop dat
die discussie tot een aantal concrete, praktische conclusies leidt.
Bron: ScienceGuide.org - Olchert Brouwer september 2005
woensdag, februari 15, 2006
Ik ben van de afdeling 'scherp houden'
'Het fundamentele probleem voor de VSNU is de toekenning van leerrechten per half jaar. Zij wil dat niet, ik wel.' Mark Rutte gaat in een pittig vraaggesprek in op de kritiek op zijn beleid en op de vraag wat het kabinet nog af moet krijgen om zijn beleid een succes te doen zijn. Een lijst van zijn recente critici en toekomstige politieke rivalen passeerde dan ook de revue in het vraaggesprek. Van Wouter Bos tot Franz Schubert en van Jo Ritzen tot Alexander Pechtold. Rutte geeft aan politiek toch wat te worstelen met de PvdA-steun voor zijn HO-beleid: 'Vanuit campagnetactiek zou ik kunnen denken dat mijn beleid zoveel draagvlak heeft dat ik daar weinig mee kan, omdat het nauwelijks profilerend is. Gelukkig hóef ik zo niet te redeneren.' Over zijn eigen toekomst licht hij een tip van de politieke sluier op.
Bij binnenkomst had de bewindsman voor ScienceGuide een cadeautje. Een lippenbalsemstaafje in de campagnekleuren van zijn partij. Het opschrift ervan? ‘Bewijst u meer dan lippendienst’ Mark Rutte is gis genoeg om te weten dat hij daarmee een vraag uitlokt naar ‘wat meer en aan wie dan wel?’
Al excuses ontvangen van minister Pechtold voor zijn verhaal over het hoger onderwijs?
Nee hoor, daar doen we niet aan. Sterker nog: we zijn het eens, volkomen eens. Alexander vertelde dat een student zelf goed moet afwegen of hij snel of lang over zijn studie wil doen. Vind ik ook. Daar zeg ik wel bij dat de overheid als financier aangeven mag over welke periode zij die keuze bekostigt. Zelf voeg ik daar nog iets aan toe: het rendement is als zodanig niet heilig voor hoger onderwijs. Je zit tussen 18 en 25 in een enorm belangrijke, formatieve periode waarin je veel moet kunnen leren en brede ervaringen moet op kunnen doen. Dat is voor heel je leven nuttig. Kortom, Pechtolds betoog is 'ondersteuning van mijn beleid'.
Gaat de wet HOO en het leerrecht het halen? De Raad van State was zeer kritisch en vanuit het wo blijven ernstige bezwaren klinken. De coalitie heeft het moeilijk en het laatste deel van de kabinetsperiode breekt aan. Wordt het nog wat?
De wet HOO ligt voor advies bij de Raad van State en dus op koers. De Raad was inderdaad kritisch van toon over de leerrechten. Dat ben ik ook op SZW gewend bij grote wetgevingsprojecten. Dan heb je daar ook wat aan, want ik heb bij onze redengevingen voor leerrechten die kritiek verwerkt in de bijstellingen
Maak dat eens concreet: waar heb je die kritiek vertaald in bijstellingen?
De tekst van de Memorie van Toelichting is aangescherpt op het punt van de kwalitieitsverbetering. De Raad van State was nogal sceptisch over ons concept dat leerrechten in samenhang met andere beleidselementen de kwaliteit van het hoger onderwijs zou helpen verbeteren. Volgens de Raad zou flexibiliteit leiden tot onzekerheid, bijvoorbeeld doordat studenten van de ene stad naar de andere zouden gaan.
Die kritiek heb ik goed gelezen en benut om het betoog op dit punt veel meer uitgewerkt te herformuleren. De samenhang van financiering via leerrechten, met de versterking van de verantwoording voor de keuzen en kwaliteitsprestaties van instellingen door de wet HOO en met de aandacht voor ranking en rating van deze prestaties heb ik nu nadrukkelijker laten zien. De kwaliteit van het hoger onderwijs wil ik niet als een geïsoleerd onderwerp bediscussiëren, maar in haar betekenis voor de samenleving als geheel. Die kwaliteit moet ook bijdragen aan innovatie voor de kennissamenleving en aan de vorming van toekomstig leiderschap door getalenteerde jongeren. Net als bij de Raad van State zou dit voor mij het hoofdpunt mogen zijn in het debat over deze voorstellen, over de wet HOO als geheel met de Tweede Kamer én met de Eerste Kamer.
Dus niet de kritiek die vanuit het wo opnieuw klinkt, dat de leerrechten kwetsbaar zijn voor bureaucratie en zelfs voor fraude?
Het fundamentele probleem voor de VSNU is de toekenning van leerrechten per half jaar. Zij wil dat niet, ik wel. Omwille van het vergroten van de flexibiliteit voor de student en het verminderen van de uitval. Als je wilt switchen of moet overstappen en je bent direct een jaar leerrecht kwijt, draagt dat niet bij een flexibeler studieloopbanen en aan voorkoming van uitval.
Wat ik dan opmerkelijk vind is dat de VSNU het debat in dit stadium over een andere boeg gooit en over allerlei technische zaken opent. Op het ambtelijk niveau is het overleg gaande over eventuele loopholes in regels. Met HBO-Raad en VSNU nemen we door hoe we die zouden kunnen afhechten, prima overleg, niets bijzonders. De plotselinge uitlatingen daarover vind ik dan een opmerkelijke move, zal ik maar zeggen.
De Maastrichtse universiteitspresident Jo Ritzen zegt in dit verband, dat ‘je niets hebt aan deze staatssecretaris’. Jij houdt niet genoeg van het HO, want de Begeisterungscampagne is in feit een aanklacht over gebrek aan kwaliteit die niet motiveert of getuigt van waardering, betoogt hij.
Dat is dan een signaal dat er iets mis is in de communicatie tussen ons. Ik hou echt van het hele HO, ik hou ook van Jo Ritzen die zich enorm inzet voor zijn universiteit. De Begeisterungscampagne heeft een duidelijk uitgangspunt: het niveau van de colleges en het onderwijs is heel behoorlijk, maar ik blijf dit wel zeggen: ten eerste, er zijn te weinig colleges per week, in alfa en gamma met name. Twee: Er is een te grote verschuiving opgetreden van werkcolleges naar massalessen. En ten derde, niet de beste hoogleraren geven de colleges in het eerste jaar, om de nieuwe studenten meteen enorm te motiveren, maar te vaak doen dit studentassistenten. Die doen vast goed werk, maar je zou de eerstejaars via de inzet van de besten juist motiveren alles uit hun studie te halen.
Ik houd zo verschrikkelijk van het hoger onderwijs, dat ik blijf zeggen ‘een paar dingen gaan niet goed genoeg en we hebben daar de kwaliteiten beslist voor in huis’. Dat is niet negatief van toon en inzet! Maar als mijn communicatie niet goed is dan wil ik daar met Jo over praten.
Ritzen zei nog iets: de leerrechten gaan inhouden dat wie ze ‘opgebruikt’ heeft via een instellingscollegegeld verder zou kunnen studeren. De universiteit ontvangt echter geen publieke bekostiging meer voor hen. Zulke studenten zijn dan een last voor de instelling en hij kondigt aan ‘de neiging te hebben om die studenten eruit te gooien’. Is dit de ultieme consequentie van jouw poging tot hervorming die de student centraal stelt, ook in de bekostiging?
Deze analyse van de leerrechtensystematiek is fundamenteel verkeerd. Hij laat ook een factor buiten beschouwing. Het macrobudget blijft gelijk, zodat er geen bezuiniging of iets dergelijks in deze opzet zit. De universiteit krijgt dus per student meer middelen en meer inkomsten uit het instellingscollegegeld van die studenten die het afmaken willen na ommekomst van hun publiek gefinancierde leerrecht.
De redenering klopt dus niet. Als ik Jo binnenkort zie, moeten we daar samen nog maar eens goed naar kijken.
De bestuurlijke drukte van Nederland is ook het hoger onderwijs niet onbekend en de wet HOO wil daar iets aan doen, zo heet het. Professor Kees Mouwen zette in zijn recente betoog echter uiteen hoezeer een stapeling van goed bedoeld toezicht de autonomie en flexibiliteit opnieuw lijkt te bedreigen. Werkt de nieuwe regelgeving het omgekeerde in de hand dat zij beoogt?
Welke stapeling? We hebben de NVAO die kwaliteit beziet en daar zou ik niet graag op minderen. De inspectie heeft daardoor een veel beperktere rol gekregen. Een Raad van Toezicht moet elke instelling hebben en horizontaal toezicht doet men versterkt omdat het wezenlijk is om aan je relevante maatschappelijke omgeving je keuzen en koers uit te leggen. Is dat nou zoveel?
Mouwen wijst op de waslijst van nieuwe toezichthouders die zich over het HO uitstrekken en die ‘maatschappelijke onderneming’ eerder afschrikken zouden van flexibel, ondernemend gedrag. Van de Opta, NMa en AFM tot en met de Commissie- Schutte en een inspectieonderzoek als dat naar InHolland. Dat is wel de realiteit.
De kern is voor mij de maatschappelijke opdracht van het hoger onderwijs, daarover leg je verantwoording af. Ik ben van de afdeling ‘scherp houden’, niet van de marktwerking pur sang. Een liberaal, maar niet van de tekentafelwerkelijkheid alstublieft. Mouwens betoog van het nastreven van stakeholder’s value en de explicitering daarvan spreekt mij daarom aan. Die kant wil ik ook op en de wet HOO zet stappen in die richting. De RvT én de interne medezeggenschap zijn versterkt. Naarmate het horizontale toezicht werkt, kan het verticale verder verminderen. Laten we het debat daarover vooral blijven voeren, omdat die richting de goede voor mij is.
De liberalen lijken overigens op een punt van de maatschappelijke opdracht van het HO verdeeld. De motie-Visser wilde de expansie van het lectoraat in het hbo afstoppen nog voordat resultaten gemeten waren, maar jij besloot deze Kameruitspraak niet uit te voeren. Hoe verder hiermee?
De Kamer wil meer evidence van het zegenrijke effect van de lectoren. Die gaan we krijgen, dat stond al ingeboekt. Kamerleden willen meer gevoel krijgen voor wat die nieuwe mensen presteren en uitvoeren, merk ik. Dat is ook een signaal naar hbo-sector: laat zien wat daar praktisch gebeurt aan innovaties bijvoorbeeld.
Opvallend dat premier Balkenende in zijn interview met ons daar uit eigen ervaring wel enthousiast over sprak en ook anderen in het kabinet – zoals jij zelf – daar positief over zijn.
Mijn beeld ervan is ook positief. Vergeet niet dat het hbo op dit punt zeer wezenlijk is voor de kenniseconomie. 90% van de economie en ontwikkeling vindt plaats in de regio en het MKB. Daar hebben hogescholen veel mee, de universiteiten –begrijpelijk- minder gelet op hun positie en relaties met het grotere bedrijfsleven. Lectoren geven dit impulsen en niet alleen vanuit het idee dat zij ‘kennis bedrijven in moeten dragen’. Ook andersom! Via lectoraten moeten bovendien studenten in de praktijk functioneren en leren werken aan nieuwe toepassingen van kennis in producten en processen. Daarom leek het me netjes de geplande groei van de middelen voor 2006 wel toe te kennen en de oploop daarvan in 2007 conditioneel te laten zijn van de evaluatie die we gaan krijgen.
Dat jong talent voor de kenniseconomie is nodig, maar het gaat daar niet goed mee. Nederland gaat de zelfgestelde Lissabondoelstellingen daaromtrent niet halen. De ‘inhaalgroei’ van allochtone jongeren naar hogere opleidingen stokt, hetgeen in de grote steden tot stagnatie van talentontwikkeling leidt, nu al. Mislukt het kabinetsbeleid?
De 50% deelname van ‘Lissabon’ halen we niet door de doorstroom uit havo en vwo. Die is al volledig op niveau. Er zijn twee grote probleempunten:
Als eerste de uitval van vmbo tot en met het HO. Die is veel te groot, dat hebben we als topprioriteit van beleid aangewezen. We pakken dit nu ook coherenter aan dan vroeger door nieuwe beleidseenheden die niet verkokerd zijn door de verschillende onderwijssector en – directies.
Het tweede probleempunt is de deelname van allochtoon talent aan het hoger onderwijs. Er moet een significante verbetering komen daarvan. Sociaal is die doorstroom voor velen nog een heel grote sprong, bij autochtone gezinnen heel vaak niet minder trouwens. Taalachterstanden bijvoorbeeld worden juist hierom aangepakt in primair en voortgezet onderwijs, omdat dan de doorstroom naar opleidingen met een hoger abstractieniveau veel beter slagen kan. Talent moet hierdoor niet prematuur afgeremd worden.
Eric Nordholt geselt Den Haag op dit punt: “Wie is de verantwoordelijke minister? Verdonk roept dat we op straat vooral Nederlands moeten praten. Laten we ons toch niet druk maken over dit soort randverschijnselen. Waarom is er geen minister op dit terrein samen met de grote steden?” Hij stelt “op een pijnlijke manier” vast dat de grote steden opgegeven lijken. Wat doet de bewindsman die met BVE-HBO- WO en Begeisterung eigenlijk de facto die eerst verantwoordelijke moet zijn? Ook bezig met randverschijnselen?
Ik word hier echt razend over. Nordholt is een man die geweldig goed werk heeft gedaan en als hij zoiets zegt, trek ik me dat aan. Hij weet best dat dit onderwerp niet opgelost wordt door oekazes vanuit één centrale. Wat we wel moeten doen is tempo maken, zelfs als je de ontwikkeling optimistisch ziet. Juist de allochtone jongeren kunnen een grote boost geven aan Nederland door hun ondernemingsgeest. Onderwijs met ondernemerschap is dé emancipatieroute. Daarom juist laten we de grote steden niet los, we geven ze helemaal niet op. Wij hebben zelfs een ‘Rotterdamwet’ doorgevoerd! Ik ben zelf zowat dagelijks in contact met mensen in de steden over dat ‘tempo maken’, mensen als Piet Boekhoud die alles behalve opgeven.
Je gaat binnenkort thee drinken bij de familie Ersoy, begrepen wij.
Ja, dat is toch prachtig? Murats vader vroeg dat toen we hen voor jullie prijsuitreiking ontvingen hier op het ministerie. Over ondernemerschap gesproken, als je die Turkse studenten hoort en ziet, wat die vaak allemaal doen. Taxi rijden, helpen in de zaak thuis, enzovoorts. Daar zit een drive achter die mij moed geeft.
Als campagneleider van de VVD moet je de steun van Wouter Bos voor je beleid toejuichen.”Hij is nog ruttiger dan Rutte”, zei een student ons recent. Wat dat betreft wijst alles op een derde Paarse coalitie, of niet soms?
Ruttiger?! Schitterend, maar er is een nadeel. Vanuit campagnetactiek zou ik kunnen denken dat mijn beleid zoveel draagvlak heeft dat ik daar weinig mee kan, omdat het nauwelijks profilerend is. Gelukkig hóef ik zo niet te redeneren. Het is waar dat op HO-terrein er weinig mis is met de PvdA, de motie- Tichelaar heeft daar duidelijkheid aan gegeven. Feitelijk gezien is er weinig verschil tussen CDA, PvdA en VVD. Dit is dus een weinig onderscheidend punt.
Op andere terreinen is het verschil echter wel heel belangrijk, financieel-economische degelijkheid, eigen huis, sociaal beleid. En daar is het CDA een veel betere partner. De PvdA stemde bijvoorbeeld tegen de wet Werk en Bijstand. Maar haar wethouders voeren hem inmiddels wel enthousiast uit. Die wet was ook van mij, toen ik nog op SZW zat, dus dat heb ik nog scherp op mijn netvlies. Dat zegt iets over het instinct van die partij en de vraag hoe dit zich ontwikkelt. Dat is onduidelijk. Wil de PvdA voor elk probleem of elke groep met een probleem meteen van alles gaan regelen en opvangen of wil zij beleid dat mensen een steun in de rug geeft, en een duwtje in de rug als dat nodig blijkt? Wil de echte Wouter Bos opstaan? Wat wil hij eigenlijk, buiten het HO-beleid waar hij wel duidelijk is? Ik daag hem graag uit op alle terreinen zo helder te zijn. Het is met Wouter Bos als bij de Unvollendete van Schubert: “Het klinkt erg mooi, maar wij nodigen de heer Schubert uit hem af te maken”, schreef Bomans ooit.
Wat moet jij afhebben in 2007? Waar mogen we jou dan op aanspreken?
Vijf dingen wil ik gedaan hebben in de komende periode nog.
1) De Begeisterungscampagne moet helpen dat het aantal uren aan studie per student omhoog gaat en dat meer studenten ook bestuurlijk actief zijn tijdens hun studie.
2) Een significante deelnamevergroting van allochtoon talent. Elke hogeschool en universiteit haar eigen Murat? Dát zou mooi zijn!
3) Meer broedplaatsen voor bedrijfjes en ondernemerschap rond bve, hbo en wo- instellingen en in het curriculum van bve en hbo.
4) De aansluiting onderwijs-werk hoog op de agenda. De dialoog tussen het hbo en de praktijk op de arbeidsmarkt is al fiks versterkt en een betere communicatie ertussen loopt. De zorgplicht op dit punt in de wet HOO blijkt nu al te werken, zie het convenant van de HBO-raad met VNO/NCW en MKB- Nederland.
5) Een forse verlaging van het aantal laaggeletterden. Als we de schaamte kunnen helpen wegnemen, kunnen we veel meer mensen bereiken en nieuwe kansen geven.
En dan, na de verkiezingen? Wil je net als Pechtold op Verkeer en Waterstaat of Volkshuisvesting?
ScienceGuide - 13 februari 2006
Bij binnenkomst had de bewindsman voor ScienceGuide een cadeautje. Een lippenbalsemstaafje in de campagnekleuren van zijn partij. Het opschrift ervan? ‘Bewijst u meer dan lippendienst’ Mark Rutte is gis genoeg om te weten dat hij daarmee een vraag uitlokt naar ‘wat meer en aan wie dan wel?’
Al excuses ontvangen van minister Pechtold voor zijn verhaal over het hoger onderwijs?
Nee hoor, daar doen we niet aan. Sterker nog: we zijn het eens, volkomen eens. Alexander vertelde dat een student zelf goed moet afwegen of hij snel of lang over zijn studie wil doen. Vind ik ook. Daar zeg ik wel bij dat de overheid als financier aangeven mag over welke periode zij die keuze bekostigt. Zelf voeg ik daar nog iets aan toe: het rendement is als zodanig niet heilig voor hoger onderwijs. Je zit tussen 18 en 25 in een enorm belangrijke, formatieve periode waarin je veel moet kunnen leren en brede ervaringen moet op kunnen doen. Dat is voor heel je leven nuttig. Kortom, Pechtolds betoog is 'ondersteuning van mijn beleid'.
Gaat de wet HOO en het leerrecht het halen? De Raad van State was zeer kritisch en vanuit het wo blijven ernstige bezwaren klinken. De coalitie heeft het moeilijk en het laatste deel van de kabinetsperiode breekt aan. Wordt het nog wat?
De wet HOO ligt voor advies bij de Raad van State en dus op koers. De Raad was inderdaad kritisch van toon over de leerrechten. Dat ben ik ook op SZW gewend bij grote wetgevingsprojecten. Dan heb je daar ook wat aan, want ik heb bij onze redengevingen voor leerrechten die kritiek verwerkt in de bijstellingen
Maak dat eens concreet: waar heb je die kritiek vertaald in bijstellingen?
De tekst van de Memorie van Toelichting is aangescherpt op het punt van de kwalitieitsverbetering. De Raad van State was nogal sceptisch over ons concept dat leerrechten in samenhang met andere beleidselementen de kwaliteit van het hoger onderwijs zou helpen verbeteren. Volgens de Raad zou flexibiliteit leiden tot onzekerheid, bijvoorbeeld doordat studenten van de ene stad naar de andere zouden gaan.
Die kritiek heb ik goed gelezen en benut om het betoog op dit punt veel meer uitgewerkt te herformuleren. De samenhang van financiering via leerrechten, met de versterking van de verantwoording voor de keuzen en kwaliteitsprestaties van instellingen door de wet HOO en met de aandacht voor ranking en rating van deze prestaties heb ik nu nadrukkelijker laten zien. De kwaliteit van het hoger onderwijs wil ik niet als een geïsoleerd onderwerp bediscussiëren, maar in haar betekenis voor de samenleving als geheel. Die kwaliteit moet ook bijdragen aan innovatie voor de kennissamenleving en aan de vorming van toekomstig leiderschap door getalenteerde jongeren. Net als bij de Raad van State zou dit voor mij het hoofdpunt mogen zijn in het debat over deze voorstellen, over de wet HOO als geheel met de Tweede Kamer én met de Eerste Kamer.
Dus niet de kritiek die vanuit het wo opnieuw klinkt, dat de leerrechten kwetsbaar zijn voor bureaucratie en zelfs voor fraude?
Het fundamentele probleem voor de VSNU is de toekenning van leerrechten per half jaar. Zij wil dat niet, ik wel. Omwille van het vergroten van de flexibiliteit voor de student en het verminderen van de uitval. Als je wilt switchen of moet overstappen en je bent direct een jaar leerrecht kwijt, draagt dat niet bij een flexibeler studieloopbanen en aan voorkoming van uitval.
Wat ik dan opmerkelijk vind is dat de VSNU het debat in dit stadium over een andere boeg gooit en over allerlei technische zaken opent. Op het ambtelijk niveau is het overleg gaande over eventuele loopholes in regels. Met HBO-Raad en VSNU nemen we door hoe we die zouden kunnen afhechten, prima overleg, niets bijzonders. De plotselinge uitlatingen daarover vind ik dan een opmerkelijke move, zal ik maar zeggen.
De Maastrichtse universiteitspresident Jo Ritzen zegt in dit verband, dat ‘je niets hebt aan deze staatssecretaris’. Jij houdt niet genoeg van het HO, want de Begeisterungscampagne is in feit een aanklacht over gebrek aan kwaliteit die niet motiveert of getuigt van waardering, betoogt hij.
Dat is dan een signaal dat er iets mis is in de communicatie tussen ons. Ik hou echt van het hele HO, ik hou ook van Jo Ritzen die zich enorm inzet voor zijn universiteit. De Begeisterungscampagne heeft een duidelijk uitgangspunt: het niveau van de colleges en het onderwijs is heel behoorlijk, maar ik blijf dit wel zeggen: ten eerste, er zijn te weinig colleges per week, in alfa en gamma met name. Twee: Er is een te grote verschuiving opgetreden van werkcolleges naar massalessen. En ten derde, niet de beste hoogleraren geven de colleges in het eerste jaar, om de nieuwe studenten meteen enorm te motiveren, maar te vaak doen dit studentassistenten. Die doen vast goed werk, maar je zou de eerstejaars via de inzet van de besten juist motiveren alles uit hun studie te halen.
Ik houd zo verschrikkelijk van het hoger onderwijs, dat ik blijf zeggen ‘een paar dingen gaan niet goed genoeg en we hebben daar de kwaliteiten beslist voor in huis’. Dat is niet negatief van toon en inzet! Maar als mijn communicatie niet goed is dan wil ik daar met Jo over praten.
Ritzen zei nog iets: de leerrechten gaan inhouden dat wie ze ‘opgebruikt’ heeft via een instellingscollegegeld verder zou kunnen studeren. De universiteit ontvangt echter geen publieke bekostiging meer voor hen. Zulke studenten zijn dan een last voor de instelling en hij kondigt aan ‘de neiging te hebben om die studenten eruit te gooien’. Is dit de ultieme consequentie van jouw poging tot hervorming die de student centraal stelt, ook in de bekostiging?
Deze analyse van de leerrechtensystematiek is fundamenteel verkeerd. Hij laat ook een factor buiten beschouwing. Het macrobudget blijft gelijk, zodat er geen bezuiniging of iets dergelijks in deze opzet zit. De universiteit krijgt dus per student meer middelen en meer inkomsten uit het instellingscollegegeld van die studenten die het afmaken willen na ommekomst van hun publiek gefinancierde leerrecht.
De redenering klopt dus niet. Als ik Jo binnenkort zie, moeten we daar samen nog maar eens goed naar kijken.
De bestuurlijke drukte van Nederland is ook het hoger onderwijs niet onbekend en de wet HOO wil daar iets aan doen, zo heet het. Professor Kees Mouwen zette in zijn recente betoog echter uiteen hoezeer een stapeling van goed bedoeld toezicht de autonomie en flexibiliteit opnieuw lijkt te bedreigen. Werkt de nieuwe regelgeving het omgekeerde in de hand dat zij beoogt?
Welke stapeling? We hebben de NVAO die kwaliteit beziet en daar zou ik niet graag op minderen. De inspectie heeft daardoor een veel beperktere rol gekregen. Een Raad van Toezicht moet elke instelling hebben en horizontaal toezicht doet men versterkt omdat het wezenlijk is om aan je relevante maatschappelijke omgeving je keuzen en koers uit te leggen. Is dat nou zoveel?
Mouwen wijst op de waslijst van nieuwe toezichthouders die zich over het HO uitstrekken en die ‘maatschappelijke onderneming’ eerder afschrikken zouden van flexibel, ondernemend gedrag. Van de Opta, NMa en AFM tot en met de Commissie- Schutte en een inspectieonderzoek als dat naar InHolland. Dat is wel de realiteit.
De kern is voor mij de maatschappelijke opdracht van het hoger onderwijs, daarover leg je verantwoording af. Ik ben van de afdeling ‘scherp houden’, niet van de marktwerking pur sang. Een liberaal, maar niet van de tekentafelwerkelijkheid alstublieft. Mouwens betoog van het nastreven van stakeholder’s value en de explicitering daarvan spreekt mij daarom aan. Die kant wil ik ook op en de wet HOO zet stappen in die richting. De RvT én de interne medezeggenschap zijn versterkt. Naarmate het horizontale toezicht werkt, kan het verticale verder verminderen. Laten we het debat daarover vooral blijven voeren, omdat die richting de goede voor mij is.
De liberalen lijken overigens op een punt van de maatschappelijke opdracht van het HO verdeeld. De motie-Visser wilde de expansie van het lectoraat in het hbo afstoppen nog voordat resultaten gemeten waren, maar jij besloot deze Kameruitspraak niet uit te voeren. Hoe verder hiermee?
De Kamer wil meer evidence van het zegenrijke effect van de lectoren. Die gaan we krijgen, dat stond al ingeboekt. Kamerleden willen meer gevoel krijgen voor wat die nieuwe mensen presteren en uitvoeren, merk ik. Dat is ook een signaal naar hbo-sector: laat zien wat daar praktisch gebeurt aan innovaties bijvoorbeeld.
Opvallend dat premier Balkenende in zijn interview met ons daar uit eigen ervaring wel enthousiast over sprak en ook anderen in het kabinet – zoals jij zelf – daar positief over zijn.
Mijn beeld ervan is ook positief. Vergeet niet dat het hbo op dit punt zeer wezenlijk is voor de kenniseconomie. 90% van de economie en ontwikkeling vindt plaats in de regio en het MKB. Daar hebben hogescholen veel mee, de universiteiten –begrijpelijk- minder gelet op hun positie en relaties met het grotere bedrijfsleven. Lectoren geven dit impulsen en niet alleen vanuit het idee dat zij ‘kennis bedrijven in moeten dragen’. Ook andersom! Via lectoraten moeten bovendien studenten in de praktijk functioneren en leren werken aan nieuwe toepassingen van kennis in producten en processen. Daarom leek het me netjes de geplande groei van de middelen voor 2006 wel toe te kennen en de oploop daarvan in 2007 conditioneel te laten zijn van de evaluatie die we gaan krijgen.
Dat jong talent voor de kenniseconomie is nodig, maar het gaat daar niet goed mee. Nederland gaat de zelfgestelde Lissabondoelstellingen daaromtrent niet halen. De ‘inhaalgroei’ van allochtone jongeren naar hogere opleidingen stokt, hetgeen in de grote steden tot stagnatie van talentontwikkeling leidt, nu al. Mislukt het kabinetsbeleid?
De 50% deelname van ‘Lissabon’ halen we niet door de doorstroom uit havo en vwo. Die is al volledig op niveau. Er zijn twee grote probleempunten:
Als eerste de uitval van vmbo tot en met het HO. Die is veel te groot, dat hebben we als topprioriteit van beleid aangewezen. We pakken dit nu ook coherenter aan dan vroeger door nieuwe beleidseenheden die niet verkokerd zijn door de verschillende onderwijssector en – directies.
Het tweede probleempunt is de deelname van allochtoon talent aan het hoger onderwijs. Er moet een significante verbetering komen daarvan. Sociaal is die doorstroom voor velen nog een heel grote sprong, bij autochtone gezinnen heel vaak niet minder trouwens. Taalachterstanden bijvoorbeeld worden juist hierom aangepakt in primair en voortgezet onderwijs, omdat dan de doorstroom naar opleidingen met een hoger abstractieniveau veel beter slagen kan. Talent moet hierdoor niet prematuur afgeremd worden.
Eric Nordholt geselt Den Haag op dit punt: “Wie is de verantwoordelijke minister? Verdonk roept dat we op straat vooral Nederlands moeten praten. Laten we ons toch niet druk maken over dit soort randverschijnselen. Waarom is er geen minister op dit terrein samen met de grote steden?” Hij stelt “op een pijnlijke manier” vast dat de grote steden opgegeven lijken. Wat doet de bewindsman die met BVE-HBO- WO en Begeisterung eigenlijk de facto die eerst verantwoordelijke moet zijn? Ook bezig met randverschijnselen?
Ik word hier echt razend over. Nordholt is een man die geweldig goed werk heeft gedaan en als hij zoiets zegt, trek ik me dat aan. Hij weet best dat dit onderwerp niet opgelost wordt door oekazes vanuit één centrale. Wat we wel moeten doen is tempo maken, zelfs als je de ontwikkeling optimistisch ziet. Juist de allochtone jongeren kunnen een grote boost geven aan Nederland door hun ondernemingsgeest. Onderwijs met ondernemerschap is dé emancipatieroute. Daarom juist laten we de grote steden niet los, we geven ze helemaal niet op. Wij hebben zelfs een ‘Rotterdamwet’ doorgevoerd! Ik ben zelf zowat dagelijks in contact met mensen in de steden over dat ‘tempo maken’, mensen als Piet Boekhoud die alles behalve opgeven.
Je gaat binnenkort thee drinken bij de familie Ersoy, begrepen wij.
Ja, dat is toch prachtig? Murats vader vroeg dat toen we hen voor jullie prijsuitreiking ontvingen hier op het ministerie. Over ondernemerschap gesproken, als je die Turkse studenten hoort en ziet, wat die vaak allemaal doen. Taxi rijden, helpen in de zaak thuis, enzovoorts. Daar zit een drive achter die mij moed geeft.
Als campagneleider van de VVD moet je de steun van Wouter Bos voor je beleid toejuichen.”Hij is nog ruttiger dan Rutte”, zei een student ons recent. Wat dat betreft wijst alles op een derde Paarse coalitie, of niet soms?
Ruttiger?! Schitterend, maar er is een nadeel. Vanuit campagnetactiek zou ik kunnen denken dat mijn beleid zoveel draagvlak heeft dat ik daar weinig mee kan, omdat het nauwelijks profilerend is. Gelukkig hóef ik zo niet te redeneren. Het is waar dat op HO-terrein er weinig mis is met de PvdA, de motie- Tichelaar heeft daar duidelijkheid aan gegeven. Feitelijk gezien is er weinig verschil tussen CDA, PvdA en VVD. Dit is dus een weinig onderscheidend punt.
Op andere terreinen is het verschil echter wel heel belangrijk, financieel-economische degelijkheid, eigen huis, sociaal beleid. En daar is het CDA een veel betere partner. De PvdA stemde bijvoorbeeld tegen de wet Werk en Bijstand. Maar haar wethouders voeren hem inmiddels wel enthousiast uit. Die wet was ook van mij, toen ik nog op SZW zat, dus dat heb ik nog scherp op mijn netvlies. Dat zegt iets over het instinct van die partij en de vraag hoe dit zich ontwikkelt. Dat is onduidelijk. Wil de PvdA voor elk probleem of elke groep met een probleem meteen van alles gaan regelen en opvangen of wil zij beleid dat mensen een steun in de rug geeft, en een duwtje in de rug als dat nodig blijkt? Wil de echte Wouter Bos opstaan? Wat wil hij eigenlijk, buiten het HO-beleid waar hij wel duidelijk is? Ik daag hem graag uit op alle terreinen zo helder te zijn. Het is met Wouter Bos als bij de Unvollendete van Schubert: “Het klinkt erg mooi, maar wij nodigen de heer Schubert uit hem af te maken”, schreef Bomans ooit.
Wat moet jij afhebben in 2007? Waar mogen we jou dan op aanspreken?
Vijf dingen wil ik gedaan hebben in de komende periode nog.
1) De Begeisterungscampagne moet helpen dat het aantal uren aan studie per student omhoog gaat en dat meer studenten ook bestuurlijk actief zijn tijdens hun studie.
2) Een significante deelnamevergroting van allochtoon talent. Elke hogeschool en universiteit haar eigen Murat? Dát zou mooi zijn!
3) Meer broedplaatsen voor bedrijfjes en ondernemerschap rond bve, hbo en wo- instellingen en in het curriculum van bve en hbo.
4) De aansluiting onderwijs-werk hoog op de agenda. De dialoog tussen het hbo en de praktijk op de arbeidsmarkt is al fiks versterkt en een betere communicatie ertussen loopt. De zorgplicht op dit punt in de wet HOO blijkt nu al te werken, zie het convenant van de HBO-raad met VNO/NCW en MKB- Nederland.
5) Een forse verlaging van het aantal laaggeletterden. Als we de schaamte kunnen helpen wegnemen, kunnen we veel meer mensen bereiken en nieuwe kansen geven.
En dan, na de verkiezingen? Wil je net als Pechtold op Verkeer en Waterstaat of Volkshuisvesting?
ScienceGuide - 13 februari 2006
Week 6
De maandag staat in het teken van de Raad van Toezicht vergadering. We geven tijdens deze vergadering een korte demonstratie van de toepassingen en toepassingsmogelijkheden van nieuwe media in het onderwijs. Verder verloopt de vergadering voorspoedig. Een positieve ontwikkeling van het eindejaarsresultaat en de kwaliteitsimpuls worden goed ontvangen.
Dinsdag en woensdag staat in het teken van de tweedaagse met de instituutsdirecteuren en de corporate office hoofden. We spreken dominant over de kwaliteitsimpulsen in het onderwijs en de strategieanalyse. Wij spreken langdurig over een mogelijke organisatieaanpassing naar aanleiding van de diverse analyses. Ik ben erg content met de openheid in de discussies en de uitkomst die door allen wordt gedragen.
Donderdag en vrijdag ben ik i.v.m. familieomstandigheden naar Canada.
Dinsdag en woensdag staat in het teken van de tweedaagse met de instituutsdirecteuren en de corporate office hoofden. We spreken dominant over de kwaliteitsimpulsen in het onderwijs en de strategieanalyse. Wij spreken langdurig over een mogelijke organisatieaanpassing naar aanleiding van de diverse analyses. Ik ben erg content met de openheid in de discussies en de uitkomst die door allen wordt gedragen.
Donderdag en vrijdag ben ik i.v.m. familieomstandigheden naar Canada.
maandag, februari 06, 2006
Week 5
Deze week hebben we een belangrijke stap gezet in performance management. Met alle direct reports van het College van Bestuur hebben we nu een Balanced Scorecard afgesproken. De organisatie doelstellingen en persoonlijke ontwikkelingen zijn vertaald naar persoonlijke doelstellingen. De volgende stap naar de excellente organisatie.
We leggen maandag de laatste hand aan de Raad van Toezicht vergaderstukken voor maandag 6 februari. Met dank aan de secretaresses die er weer een goed geheel van hebben gemaakt.
Op dinsdag mocht ik bij de tweedaagse van het instituut Vrijetijd & Arbeid aanschuiven. Ik vond het erg leuk met de collega's van gedachten te wisselen over die zaken die ons als CHN er bezighouden. Deze dag viert Ben Bloemink (directeur Facilitaire Dienst) zijn 25 jarig dienstverband bij de CHN. s Middags nodig ik hem uit voor een overleg en verras hem met een gebakdoos die we samen met een deel van het team nuttigen. s Avonds overleg ik met de collega's van de NHL over ons gemeenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheden van een Shared Service Center. We naderen nu het moment dat we de definitieve scope van het onderzoek moeten definieren.
Op donderdag besteed ik veel tijd om de organisatie in te gaan. Ik bezoek deze keer alle mensen die een rol spelen in het roosterproces. Een cruciale activiteit voor een school die in belangrijke mate de tevredenheid van studenten en medewerkers binnen de CHN bepalen. Er is nog veel te verbeteren aan dit proces maar ik zie dat we op de goede weg zijn.
Op vrijdag bespreek ik met Fred en Sandra (afdeling Finance) de voorlopige uitkomsten van de jaarrekening 2005. De laatste prognose kunnen we positief bijstellen als gevolg van een hogere afrekening in de bekostiging en de resultaten van de commerciele organisatieonderdelen.
We leggen maandag de laatste hand aan de Raad van Toezicht vergaderstukken voor maandag 6 februari. Met dank aan de secretaresses die er weer een goed geheel van hebben gemaakt.
Op dinsdag mocht ik bij de tweedaagse van het instituut Vrijetijd & Arbeid aanschuiven. Ik vond het erg leuk met de collega's van gedachten te wisselen over die zaken die ons als CHN er bezighouden. Deze dag viert Ben Bloemink (directeur Facilitaire Dienst) zijn 25 jarig dienstverband bij de CHN. s Middags nodig ik hem uit voor een overleg en verras hem met een gebakdoos die we samen met een deel van het team nuttigen. s Avonds overleg ik met de collega's van de NHL over ons gemeenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheden van een Shared Service Center. We naderen nu het moment dat we de definitieve scope van het onderzoek moeten definieren.
Op donderdag besteed ik veel tijd om de organisatie in te gaan. Ik bezoek deze keer alle mensen die een rol spelen in het roosterproces. Een cruciale activiteit voor een school die in belangrijke mate de tevredenheid van studenten en medewerkers binnen de CHN bepalen. Er is nog veel te verbeteren aan dit proces maar ik zie dat we op de goede weg zijn.
Op vrijdag bespreek ik met Fred en Sandra (afdeling Finance) de voorlopige uitkomsten van de jaarrekening 2005. De laatste prognose kunnen we positief bijstellen als gevolg van een hogere afrekening in de bekostiging en de resultaten van de commerciele organisatieonderdelen.
zaterdag, februari 04, 2006
Pechtold sceptisch over HO-beleid kabinet
Minister Pechtold vindt dat studenten ook in de toekomst "een verkeerde keuze"moeten mogen maken. De beperking van het leerrecht in de nieuwe Wet HOO beziet hij vanuit zijn eigen studieverleden sceptisch, zo blijkt uit een gesprek met het studentenblad ANS.
Pechtold deed tien jaar over zijn studie in Leiden: "Ik ben begonnen met Rechten en vervolgens overgestapt op Kunstgeschiedenis. Omdat het met mijn scriptie niet zo vlotte, heb ik me enkele jaren uitgeschreven om te gaan werken. In de toekomst moet het voor studenten ook mogelijk blijven om een verkeerde keuze te maken en zich te laten vormen door het studentenleven. Ik denk dat de dingen om het studeren heen mij meer hebben gevormd dan het leven in de collegebanken." Pechtolds actieve lidmaatschap van het corps hield voornamelijk het drinken van bier in, zo maakt hij duidelijk met een handgebaar ten opzichte van zijn Nijmeegse interviewers.
Staatssecretaris Rutte gebruikt in de verdediging van zijn beleid vaak het zeer lage rendement van de studie Kunstgeschiedenis als afschrikwekkend voorbeeld van gebrek aan effect en 'Begeisterung'.
Pechtold geeft aan dat hij in Den Haag "het nog niet gehad heeft. Ik wil laten zien dat een kunsthistoricus met wat lokale ervaring toch iets zinnigs kan bereiken." Pechtold zou graag op dezelfde ministerspost blijven, maar heeft ook interesse in een ander ministerschap: 'Echt tastbare klussen, zoals Volkshuisvesting of Verkeer en Waterstaat lijken mij wel wat. Vraag mij niet minister van Justitie te worden, daarvoor ben ik te weinig jurist en ik beslis daarnaast te veel op basis van mijn gevoelens.' Opvallend is dat Pechtold daarbij niet het ministerie van OCW noemt, hoewel zijn partij zich als 'onderwijs- en kennispartij' tracht te profileren.
Bron: ScienceGuide 2 februari 2006
Pechtold deed tien jaar over zijn studie in Leiden: "Ik ben begonnen met Rechten en vervolgens overgestapt op Kunstgeschiedenis. Omdat het met mijn scriptie niet zo vlotte, heb ik me enkele jaren uitgeschreven om te gaan werken. In de toekomst moet het voor studenten ook mogelijk blijven om een verkeerde keuze te maken en zich te laten vormen door het studentenleven. Ik denk dat de dingen om het studeren heen mij meer hebben gevormd dan het leven in de collegebanken." Pechtolds actieve lidmaatschap van het corps hield voornamelijk het drinken van bier in, zo maakt hij duidelijk met een handgebaar ten opzichte van zijn Nijmeegse interviewers.
Staatssecretaris Rutte gebruikt in de verdediging van zijn beleid vaak het zeer lage rendement van de studie Kunstgeschiedenis als afschrikwekkend voorbeeld van gebrek aan effect en 'Begeisterung'.
Pechtold geeft aan dat hij in Den Haag "het nog niet gehad heeft. Ik wil laten zien dat een kunsthistoricus met wat lokale ervaring toch iets zinnigs kan bereiken." Pechtold zou graag op dezelfde ministerspost blijven, maar heeft ook interesse in een ander ministerschap: 'Echt tastbare klussen, zoals Volkshuisvesting of Verkeer en Waterstaat lijken mij wel wat. Vraag mij niet minister van Justitie te worden, daarvoor ben ik te weinig jurist en ik beslis daarnaast te veel op basis van mijn gevoelens.' Opvallend is dat Pechtold daarbij niet het ministerie van OCW noemt, hoewel zijn partij zich als 'onderwijs- en kennispartij' tracht te profileren.
Bron: ScienceGuide 2 februari 2006
Opinie
Een studentenmonitor voor het hbo?
Het hele hbo zou een gezamenlijk tevredenheidsonderzoek onder studenten moeten hebben. Deze monitoring van hun opvattingen over de kwaliteit van het onderwijs, de organisatie en de interactie binnen de opleidingen zou daarmee als benchmark voor de instellingen en hun opleidingen in de hbo-branche moeten gaan gelden. Daarmee zouden de instellingen zich tevens ten opzichte van elkaar kunnen onderscheiden en benchmarken.
Dit zou een veel grotere duidelijkheid en transparantie in het debat over de kwaliteit van het hbo bevorderen dan de nu toegepaste en in verschillende keuzegidsen gepubliceerde methoden en meningen. Dit stelde HU-voorzitter Geri Bonhof, lid van het bestuur van de HBO-raad, op het congres Hoger Onderwijs als maatschappelijke onderneming gisteren in Rotterdam. Zij kreeg daar informeel bijval van collega's die een dergelijke open benchmarking vanuit de sector zelve eveneens bepleitten.
Bron: ScienceGuide.org 1 februari 2006
Ook ik kan me vinden in de stelling van collega Geri. De huidige publicaties leveren inderdaad veel vraagtekens op en sluiten daarnaast niet aan bij de uitkomsten van de accreditaties.
Het zal een enorme uitdaging worden om een (1) objectief instrument te ontwikkelen dat naast de professionele uitkomsten uit de accreditatie een goede graadmeter is voor de echte kwaliteit en de kwaliteitsbeleving van de student en werkveld.
Een uitdaging die ik graag eens zou neerleggen bij de HBO Raad.
Het hele hbo zou een gezamenlijk tevredenheidsonderzoek onder studenten moeten hebben. Deze monitoring van hun opvattingen over de kwaliteit van het onderwijs, de organisatie en de interactie binnen de opleidingen zou daarmee als benchmark voor de instellingen en hun opleidingen in de hbo-branche moeten gaan gelden. Daarmee zouden de instellingen zich tevens ten opzichte van elkaar kunnen onderscheiden en benchmarken.
Dit zou een veel grotere duidelijkheid en transparantie in het debat over de kwaliteit van het hbo bevorderen dan de nu toegepaste en in verschillende keuzegidsen gepubliceerde methoden en meningen. Dit stelde HU-voorzitter Geri Bonhof, lid van het bestuur van de HBO-raad, op het congres Hoger Onderwijs als maatschappelijke onderneming gisteren in Rotterdam. Zij kreeg daar informeel bijval van collega's die een dergelijke open benchmarking vanuit de sector zelve eveneens bepleitten.
Bron: ScienceGuide.org 1 februari 2006
Ook ik kan me vinden in de stelling van collega Geri. De huidige publicaties leveren inderdaad veel vraagtekens op en sluiten daarnaast niet aan bij de uitkomsten van de accreditaties.
Het zal een enorme uitdaging worden om een (1) objectief instrument te ontwikkelen dat naast de professionele uitkomsten uit de accreditatie een goede graadmeter is voor de echte kwaliteit en de kwaliteitsbeleving van de student en werkveld.
Een uitdaging die ik graag eens zou neerleggen bij de HBO Raad.
vrijdag, februari 03, 2006
Onderwijstechnologische trends voor 2006
# Dynamic knowledge creation and social computing tools and processes are becoming more widespread and accepted. No longer in their infancy, tools for working collaboratively at a distance are easier to use and more commonly available than in previous years. It is no longer unusual to attend a conference online or to contribute to a project wiki. As the tools have matured, the practice of online communication and collaboration has increased. This trend is at the heart of social computing and is driving personal broadcasting as well.
# Mobile and personal technology is increasingly being viewed as a delivery platform for services of all kinds. Devices such as cell phones or mp3 players are almost everywhere; delivering content to those devices simply makes sense. This trend is growing in the consumer arena and is beginning to be felt in education as well. The ubiquity of these devices has enabled personal broadcasting (podcasting and vlogging) to take off almost overnight, and that is just the first wave of broadband content that will be ported to these devices, especially phones, in the next few years.
# Consumers are increasingly expecting individualized services, tools, and experiences, and open access to media, knowledge, information, and learning. The demand for personalized content and services, increasingly met by savvy retailers and service providers, and greatly enabled by the ability of the Internet to allow marketers to meet individualized needs, will surface with increasing frequency in the world of academia. Scholarly and cultural institutions are already beginning to differentiate themselves along these dimensions and that dynamic can be expected to continue and accelerate for some time.
# Collaboration is increasingly seen as critical across the range of educational activities, including intra- and inter institutional activities of any size or scope. As the ways in which researchers, students and teachers can collaborate with each other increase, knowledge is becoming a community property, and the construction of knowledge is becoming a community activity. A renewed emphasis on collaborative learning is leading to an exploration of the science of gaming, context-aware environments and devices, and their application for teaching and learning. Critical Challenges
For the first time this year, the 2006 Horizon Project Advisory Board explicitly identified and considered many challenges facing higher education over the five-year time period covered by this report. As with the technologies that are the primary focus of the report, and the trends described above, each was identified through a careful analysis of interviews, articles, papers, and published research, and the resultant list ranked. Those that emerged as the top-ranked were considered most critical by the Advisory Board, and are listed here, in rank order.
# Peer review and other academic processes, such as promotion and tenure reviews, increasingly do not reflect the ways scholarship actually is conducted. In a climate in which the established methods of peer review are grounded in print-based publications, acknowledging and verifying scholarly contributions in unusual formats can be quite difficult. Where standards are not clearly defined, it is a challenge indeed to estimate the academic significance of digital works. This affects tenure, promotion, selection of new faculty, and other academic processes as well.
# Information literacy should not be considered a given, even among "net-gen" students. The skills of critical thinking, research, and evaluation of content, not to mention creative demonstration of mastery or knowledge, are needed more than ever; yet these very skills are underdeveloped in many students. Techniques for finding and assessing relevant information from the array of resources available both on- and offline are crucial, especially in light of the rising trend toward collaborative work.
# Intellectual property concerns and the management of digital rights and assets continue to loom as largely unaddressed issues. This is a difficulty that is growing in scope as more institutions invest in digital archives and collections. Questions of ownership, usage rights, storage, and tagging arise as collections expand. A related aspect, searching and finding, also presents challenges.
# The typical approach of experimentally deploying new technologies on campuses does not include processes to quickly scale them up to broad usage when they work, and often creates its own obstacles to full deployment. A common model for a new use of technology in education is to see it developed and deployed in a small number of courses on a single campus. Finding ways to scale successful technologies is key to widespread adoption.
# The phenomenon of technological "churn" is bringing new kinds of support challenges. Clearly support needs are increasing; each new technology comes with its own requirements for support, of course, while the support needs of established technologies also remain. The very pace of the churn, however, is also creating a backlash effect from those who are asked to change the way they work, often just as they are settling into full productivity with the last new tool.
Technologies to Watch
The two technologies that appear on this year's nearest adoption horizon, social computing and personal broadcasting, have exploded over the last year, and solid educational uses and examples can easily be found on many campuses. The technologies on the two more distant horizons are unsurprisingly less tangible along that dimension, as they are perceived to be further away in time for campuses, but each of the technologies described in this report has already received considerable private sector attention.
In the main sections of the report, the discussion of each of the featured technologies includes clear examples, but generally speaking, as the horizon moves out in time, the examples tend to be more isolated or experimental in nature. Their potential is still developing, but our research suggests that all six of these areas will have significant impact on college and university campuses within the next five years.
# Social Computing. The application of computer technology to facilitate interaction and collaboration, a practice known as social computing, is happening all around us. Replacing face-to-face meetings with virtual collaboration tools, working on a daily basis with colleagues a thousand miles away, or attending a conference held entirely online is no longer unusual. An interesting aspect of social computing is the development of shared taxonomies-folksonomies-that emerge organically from like-minded groups.
# Personal Broadcasting. With roots in text-based media (personal websites and blogs), personal broadcasting of audio and video material is a natural outgrowth of a popular trend made possible by increasingly more capable portable tools. From podcasting to video blogging (vlogging), personal broadcasting is already impacting campuses and museum audiences significantly.
# The Phones in Their Pockets. A little further out on the horizon, but rapidly approaching, the delivery of educational content and services to cell phones is just around the corner. Among the keys that will unlock the true potential of this technology are improved network speeds, Flash Lite, and video: as new features that take advantage of the capabilities of these appear in phones, barriers to delivery of educational content will vanish.
# Educational Gaming. A recent surge in interest in educational gaming has led to increased research into gaming and engagement theory, the effect of using games in practice, and the structure of cooperation in gameplay. The serious implications of gaming are still unfolding, but we are not far away from seeing what games can really teach us.
# Augmented Reality and Enhanced Visualization. Currently in use in disciplines such as medicine, engineering, and archaeology, these technologies for bringing large data sets to life have the potential to literally change the way we see the world by creating three-dimensional representations of abstract data.
# Context-Aware Environments and Devices. Advancements in context-aware computing are giving rise to devices and rooms that respond to voice, motion, or other subtle signals. In the ultimate application of these technologies, the "computing" part simply disappears, leaving an environment transparently responsive to its human occupants.
Some of these topics will seem familiar to dedicated readers of the Horizon Report, and indeed, social computing, educational gaming, augmented reality, and context-aware environments have all been featured in previous editions of the Horizon Report. The dusty crystal ball that is technology forecasting is by no means an exact science, but when it works, one hopes that the technologies selected as important five years hence will continue to remain important over that period. Educational gaming, for example, appears in the mid-term adoption horizon again for 2006, but is now considered poised for rapid growth as a new emphasis on the science of gaming builds on serious research into its potential for learning. These developments, and a growing awareness and focus on the topic generally, will help those who regard educational gaming with skepticism to better understand its uses, applications, and implications.
Social computing, regarded as a more long-term phenomenon in last year's report, moved forward faster than anticipated, fueled by interest in folksonomic and similar tools, and is now relatively commonplace. Context-aware environments and devices have been moving into educational usage at a somewhat leisurely pace, and have been listed as something to watch on the 4- to 5-year horizon now for some time. Nonetheless, the technology continues to develop, and in very interesting ways. Context-aware devices are often so successful at dissolving the boundaries between human and computer that people do not realize they are dealing with a device in this category. Several can be found in the consumer marketplace already, providing information visually on the weather or stock portfolios. Many interesting classroom applications are emerging, including new ways of conceiving the classroom itself that will make it much more responsive and adaptable than the spaces we use today.
Augmented reality has also been on the four-to-five year horizon for some time now, and like context-awareness, has continued to evolve in compelling ways. The underlying technology shares much in common with emerging 3-D visualization tools, and the two are discussed together this year. Each of these returning technologies have been part of Horizon Project discussions for some time; the fact that they again have risen to the top of the rankings for 2006 is a strong indication of the impact they promise for campuses.
Source: The 2006 Horizon Report (a collaboration between The New Media Consortium and the Educause Learning Initiative)
# Mobile and personal technology is increasingly being viewed as a delivery platform for services of all kinds. Devices such as cell phones or mp3 players are almost everywhere; delivering content to those devices simply makes sense. This trend is growing in the consumer arena and is beginning to be felt in education as well. The ubiquity of these devices has enabled personal broadcasting (podcasting and vlogging) to take off almost overnight, and that is just the first wave of broadband content that will be ported to these devices, especially phones, in the next few years.
# Consumers are increasingly expecting individualized services, tools, and experiences, and open access to media, knowledge, information, and learning. The demand for personalized content and services, increasingly met by savvy retailers and service providers, and greatly enabled by the ability of the Internet to allow marketers to meet individualized needs, will surface with increasing frequency in the world of academia. Scholarly and cultural institutions are already beginning to differentiate themselves along these dimensions and that dynamic can be expected to continue and accelerate for some time.
# Collaboration is increasingly seen as critical across the range of educational activities, including intra- and inter institutional activities of any size or scope. As the ways in which researchers, students and teachers can collaborate with each other increase, knowledge is becoming a community property, and the construction of knowledge is becoming a community activity. A renewed emphasis on collaborative learning is leading to an exploration of the science of gaming, context-aware environments and devices, and their application for teaching and learning. Critical Challenges
For the first time this year, the 2006 Horizon Project Advisory Board explicitly identified and considered many challenges facing higher education over the five-year time period covered by this report. As with the technologies that are the primary focus of the report, and the trends described above, each was identified through a careful analysis of interviews, articles, papers, and published research, and the resultant list ranked. Those that emerged as the top-ranked were considered most critical by the Advisory Board, and are listed here, in rank order.
# Peer review and other academic processes, such as promotion and tenure reviews, increasingly do not reflect the ways scholarship actually is conducted. In a climate in which the established methods of peer review are grounded in print-based publications, acknowledging and verifying scholarly contributions in unusual formats can be quite difficult. Where standards are not clearly defined, it is a challenge indeed to estimate the academic significance of digital works. This affects tenure, promotion, selection of new faculty, and other academic processes as well.
# Information literacy should not be considered a given, even among "net-gen" students. The skills of critical thinking, research, and evaluation of content, not to mention creative demonstration of mastery or knowledge, are needed more than ever; yet these very skills are underdeveloped in many students. Techniques for finding and assessing relevant information from the array of resources available both on- and offline are crucial, especially in light of the rising trend toward collaborative work.
# Intellectual property concerns and the management of digital rights and assets continue to loom as largely unaddressed issues. This is a difficulty that is growing in scope as more institutions invest in digital archives and collections. Questions of ownership, usage rights, storage, and tagging arise as collections expand. A related aspect, searching and finding, also presents challenges.
# The typical approach of experimentally deploying new technologies on campuses does not include processes to quickly scale them up to broad usage when they work, and often creates its own obstacles to full deployment. A common model for a new use of technology in education is to see it developed and deployed in a small number of courses on a single campus. Finding ways to scale successful technologies is key to widespread adoption.
# The phenomenon of technological "churn" is bringing new kinds of support challenges. Clearly support needs are increasing; each new technology comes with its own requirements for support, of course, while the support needs of established technologies also remain. The very pace of the churn, however, is also creating a backlash effect from those who are asked to change the way they work, often just as they are settling into full productivity with the last new tool.
Technologies to Watch
The two technologies that appear on this year's nearest adoption horizon, social computing and personal broadcasting, have exploded over the last year, and solid educational uses and examples can easily be found on many campuses. The technologies on the two more distant horizons are unsurprisingly less tangible along that dimension, as they are perceived to be further away in time for campuses, but each of the technologies described in this report has already received considerable private sector attention.
In the main sections of the report, the discussion of each of the featured technologies includes clear examples, but generally speaking, as the horizon moves out in time, the examples tend to be more isolated or experimental in nature. Their potential is still developing, but our research suggests that all six of these areas will have significant impact on college and university campuses within the next five years.
# Social Computing. The application of computer technology to facilitate interaction and collaboration, a practice known as social computing, is happening all around us. Replacing face-to-face meetings with virtual collaboration tools, working on a daily basis with colleagues a thousand miles away, or attending a conference held entirely online is no longer unusual. An interesting aspect of social computing is the development of shared taxonomies-folksonomies-that emerge organically from like-minded groups.
# Personal Broadcasting. With roots in text-based media (personal websites and blogs), personal broadcasting of audio and video material is a natural outgrowth of a popular trend made possible by increasingly more capable portable tools. From podcasting to video blogging (vlogging), personal broadcasting is already impacting campuses and museum audiences significantly.
# The Phones in Their Pockets. A little further out on the horizon, but rapidly approaching, the delivery of educational content and services to cell phones is just around the corner. Among the keys that will unlock the true potential of this technology are improved network speeds, Flash Lite, and video: as new features that take advantage of the capabilities of these appear in phones, barriers to delivery of educational content will vanish.
# Educational Gaming. A recent surge in interest in educational gaming has led to increased research into gaming and engagement theory, the effect of using games in practice, and the structure of cooperation in gameplay. The serious implications of gaming are still unfolding, but we are not far away from seeing what games can really teach us.
# Augmented Reality and Enhanced Visualization. Currently in use in disciplines such as medicine, engineering, and archaeology, these technologies for bringing large data sets to life have the potential to literally change the way we see the world by creating three-dimensional representations of abstract data.
# Context-Aware Environments and Devices. Advancements in context-aware computing are giving rise to devices and rooms that respond to voice, motion, or other subtle signals. In the ultimate application of these technologies, the "computing" part simply disappears, leaving an environment transparently responsive to its human occupants.
Some of these topics will seem familiar to dedicated readers of the Horizon Report, and indeed, social computing, educational gaming, augmented reality, and context-aware environments have all been featured in previous editions of the Horizon Report. The dusty crystal ball that is technology forecasting is by no means an exact science, but when it works, one hopes that the technologies selected as important five years hence will continue to remain important over that period. Educational gaming, for example, appears in the mid-term adoption horizon again for 2006, but is now considered poised for rapid growth as a new emphasis on the science of gaming builds on serious research into its potential for learning. These developments, and a growing awareness and focus on the topic generally, will help those who regard educational gaming with skepticism to better understand its uses, applications, and implications.
Social computing, regarded as a more long-term phenomenon in last year's report, moved forward faster than anticipated, fueled by interest in folksonomic and similar tools, and is now relatively commonplace. Context-aware environments and devices have been moving into educational usage at a somewhat leisurely pace, and have been listed as something to watch on the 4- to 5-year horizon now for some time. Nonetheless, the technology continues to develop, and in very interesting ways. Context-aware devices are often so successful at dissolving the boundaries between human and computer that people do not realize they are dealing with a device in this category. Several can be found in the consumer marketplace already, providing information visually on the weather or stock portfolios. Many interesting classroom applications are emerging, including new ways of conceiving the classroom itself that will make it much more responsive and adaptable than the spaces we use today.
Augmented reality has also been on the four-to-five year horizon for some time now, and like context-awareness, has continued to evolve in compelling ways. The underlying technology shares much in common with emerging 3-D visualization tools, and the two are discussed together this year. Each of these returning technologies have been part of Horizon Project discussions for some time; the fact that they again have risen to the top of the rankings for 2006 is a strong indication of the impact they promise for campuses.
Source: The 2006 Horizon Report (a collaboration between The New Media Consortium and the Educause Learning Initiative)




